Nederland in al zijn verhalenReizen · erfgoed · cultuur · natuur
HomeHolland Magazine
Nederlands

Home / Volksverhalen / Het vrouwtje van Stavoren

Friese sage · Vrij naverteld

De vrouw die de zee liet eten

Een schip vol graan is haar niet kostbaar genoeg. Dus krijgt de zee het. Alleen heeft de zee ook iets voor haar bewaard.

De vrouwe van Stavoren beveelt dat de matrozen graan in zee storten, terwijl een oude vrouw haar lege kom ophoudt
Alles. In het water.

De vrouwe van Stavoren ontsloeg haar keukenmeid wegens het likken aan een lepel.

De lepel was van haar. De soep was van haar. En wat de meid daar met haar tong had weggehaald, kreeg ze nooit meer terug.

„Het moest geproefd worden,” zei het meisje, terwijl ze met haar schort over haar natte wangen wreef.

De vrouwe stak een vinger op die leek op een geschilde asperge.

„Dan krijg ik nog geld.”

Sindsdien hing er naast het fornuis een lei met een officiële prijslijst. Een likje kostte een duit. Slurpen kostte twee duiten. Wie bij het proeven zijn ogen sloot, betaalde het dubbele. Dat was genieten, en genieten gebeurde in dit huis uitsluitend op eigen kosten.

De nieuwe kok had daarom een buitengewoon vernuftige manier gevonden om de soep te keuren: hij gaf haar rechtstreeks aan de vrouwe.

Zo ontdekte zij op een dinsdag dat de melk zuur was.

Op woensdag dat de peperpot geen deksel meer had.

En op donderdag dat een vlieg zich uitstekend onder een peterselieblaadje kon verstoppen.

De kok kreeg ontslag. De vlieg mocht blijven. Die had tenminste voor zichzelf gezorgd.

De vrouwe heette overigens geen Vrouwtje. Niemand in Stavoren haalde het in zijn hoofd haar zo te noemen, tenzij hij graag wilde dat zijn handelsschuit aan de ketting werd gelegd of zijn pakhuis per ongeluk tot aan de drempel werd dichtgemetseld.

Haar hele bestaan bestond uit het tellen van dingen die van haar waren en bedenken hoe ze kon voorkomen dat anderen ernaar keken. Kijken sleet de spullen immers af.

Op een regenachtige ochtend ontbood ze haar schipper. Hij bezat een linkerknie die kraakte als een brekende mast en had een hekel aan haar kanten kraag, die geurde naar azijn.

„Mijn pakhuizen puilen uit,” zei ze. „Laken, wijn, stokvis. Ik heb een zolder vol spullen waar de katten van flauwvallen. Ik verveel me.”

„U zou aalmoezen kunnen uitdelen.”

Ze keek hem aan alsof hij had voorgesteld haar schoenen op te eten.

„Je zeilt morgenochtend uit. Neem het grootste schip en breng mij het allerkostbaarste wat er bestaat.”

„En wat is dat precies?”

„Als ik dat wist, hoefde ik jou niet te sturen, lomperik. Gebruik je hersens, voor zover die niet door de scheepsbeschuit zijn aangetast. En kom je terug met troep, dan betaal jij de reis.”

De schipper spuugde pas buiten de poort in de goot.


Hij voer maandenlang. Hij bekeek tapijten met gouddraad, kisten met edelstenen en zilveren schalen waarin een mens zijn eigen belangrijke gezicht kon bewonderen. Maar telkens dacht hij aan de pakhuizen van zijn meesteres. Alles wat daar lag, was ooit iets geweest wat ze absoluut moest hebben.

In Danzig zag hij een koopman bij een bakker staan. De man droeg een fluwelen jas en bood zijn gouden ketting aan voor een brood.

De bakker schudde zijn hoofd. Zijn meel was op. De koopman begon te huilen zonder zijn ketting weg te stoppen.

De schipper keek naar het goud. Toen naar de lege planken achter de bakker.

Hij voer verder, naar een streek waar de oogst wél goed was geweest. Daar kocht hij graan. Zak na zak, tot de scheepstimmerman hem dringend verzocht ook nog enige ruimte voor het water ónder het schip over te laten.

Toen hij Stavoren binnenvoer, stond de vrouwe al op de steiger. Haar paarse jurk ritselde als dorre herfstbladeren. Ze tikte met haar schoen tegen een meerpaal.

„Nou? Parels? Saffieren? Spreek op!”

De schipper sneed een zak open en liet de korrels tussen zijn eeltige vingers glijden.

„Graan, vrouwe. Wie honger heeft, geeft er zijn laatste goud voor.”

Haar lippen trokken samen tot een potloodstreep.

„Graan?”

„Het mooiste dat ik kon vinden.”

„Kippenvoer?” Haar stem schoot omhoog. „Heb ik jou maandenlang op mijn kosten laten ronddobberen voor een lading kippenvoer?”

„De bakkers zullen er blij mee zijn,” zei de schipper.

Dat was verkeerd. Ze had hem niet weggestuurd om de bakkers blij te maken.

„Aan welke kant heb je het ingeladen?”

„Stuurboord.”

„Dan gaat het er aan bakboord weer uit. Alles. In het water.”

Hij bleef met de zak in zijn handen staan.

„Je hebt me gehoord.”

Tussen de omstanders schuifelde een oude vrouw naar voren. Ze droeg een gelapte omslagdoek en hield een houten kom omhoog.

„Geef het aan de mensen, vrouwe. Er zijn gezinnen die hun laatste korst moeten delen.”

De vrouwe trok haar rok weg van de uitgestoken kom.

„Bedelaarsadvies,” zei ze. „Dat is nog net het enige wat goedkoper is dan gras.”

„Misschien moet u zelf nog eens om brood vragen.”

De vrouwe schoof haar handschoen uit. Om haar vinger zat een zware gouden zegelring met een bloemetje erin. Ze peuterde hem los en hield hem boven het water.

„Eerst komt deze terug. Dan mag jij over mijn armoede beginnen.”

Ze gooide.

Plop.

Het water sloot zich erboven.

„Lossen,” zei ze tegen de schipper. „Voor zonsondergang.”

De matrozen sneden de zakken open. Hun kaken stonden strak. Urenlang stroomde het graan over de reling, terwijl op de kade mensen toekeken die er brood van hadden kunnen bakken.

De vrouwe at die avond fazant met gestoofde pruimen. Ze at met haar mond dicht, want kauwen met open mond kostte onnodige adem.


Een paar weken later stond de kok — nummer vier van die maand — een grote vis schoon te maken. Zijn mes tikte ergens tegenaan.

Kling.

Hij viste een geel voorwerp uit de buik en wreef het schoon aan zijn schort.

De gouden ring. Met het bloemetje.

Hij waste hem driemaal, legde hem op een schoteltje en liep naar de grote zaal.

„Gevonden, mevrouw. In de vis.”

Haar vork bleef halverwege haar mond hangen. Een halve pruim viel op haar servet. Haar gezicht kreeg de klamme kleur van koud varkensvet.

Ze stak haar hand uit, trok hem terug en keek naar de kok.

Die hield het schoteltje nog wat dichterbij.

Losse pen- en potloodtekening: de kok toont de teruggevonden ring, terwijl de vrouwe met opgestoken handen achteruitdeinst
De gouden ring. Met het bloemetje.

Ten slotte griste ze de ring eraf. Ze klemde hem in haar vuist en stuurde de kok weg. Aan de fazant begon ze niet.

De kok at hem op in de keuken. Hij hield zijn ogen open.


De volgende ochtend kwam een bode vertellen dat haar schepen in een storm waren vergaan.

„Hoeveel?” vroeg ze.

Hij noemde ze op. Na iedere naam zette ze een streep op een lei. Bij het laatste schip brak het krijtje.

Tegen de middag kwam bericht dat haar bankier met haar geld was verdwenen. Ze stuurde iemand om hem terug te halen. Tegen de avond bleek dat die man óók nog loon van haar kreeg. Hij kwam niet terug.

Die nacht brandden haar pakhuizen.

De vrouwe rende in haar nachtgoed naar de kade. Rond de vlammen stonden mensen met emmers. Ze duwde zich ertussen.

„Niet op de zijde! Dat geeft vlekken!”

Toen zakte het dak naar binnen. Een wolk vonken steeg boven de haven uit. Haar zijde maakte geen kans meer om nat te worden.

Ze probeerde de brand te overschreeuwen. Niemand verstond haar. Voor het eerst in haar leven werden haar bevelen behandeld als een volkomen onbelangrijk geluid.


In de sage kwam ook het weggegooide graan terug, op een manier waar niemand iets aan had. Waar de lading in zee was gestort, groeide een zandbank. Er stonden halmen op die op koren leken, maar de aren waren leeg.

De schepen liepen vast. De handel verdween. De pakhuizen raakten leeg en tussen de stenen van de kade schoot onkruid op. De mensen noemden de bank het Vrouwenzand.

De vrouwe kreeg er geen stuiver voor.

Haar meubels werden geveild. Haar zilver werd gewogen. Bij het wegen hield ze zo scherp in de gaten of de koper geen stukje achteroverdrukte, dat ze niet merkte hoe haar stoel onder haar vandaan werd verkocht.

Haar huis werd afgebroken. Mensen namen de stenen mee voor schuurtjes en varkensstallen. Een boer kwam vertellen dat haar gouden deurklopper een uitstekende prijs had opgebracht.

Ze vroeg hoeveel.

Hij zei het niet.

Jaren later zagen schippers op de kade een gekromd vrouwtje lopen. Ze droeg een jurk van jute zakken en twee verschillende, kapotte klompen. Niemand ging nog voor haar opzij.

Als een schippersvrouw haar een homp roggebrood gaf, bekeek ze die eerst argwanend tegen het licht. Ze peuterde er met haar nagel een korstje af en kauwde erop met haar laatste vier tanden.

„Te zout,” mompelde ze. „Veel te zout gebakken. Daar had ik vroeger geen stuiver voor gegeven.”

Maar ze at het op.

Tot de laatste kruimel.

Vrij naverteld bij Het vrouwtje van Stavoren in de Volksverhalenbank. Dialogen en scènes zijn voor deze versie uitgewerkt. Bronnen en herkomst van de collectie.