Nederland in al zijn verhalenReizen · erfgoed · cultuur · natuur
HomeHolland Magazine
Nederlands

Volksverhalen / Alle verhalen / Utrecht

Utrecht · Monstersage

De klant die zichzelf niet kon uitstaan

Onder de brouwerij woont iets dat niemand mag aankijken. De jongste knecht gaat toch naar beneden — met zijn ogen dicht.

Geblinddoekte knecht daalt met een spiegel de brouwerijkelder in; achter een vat loert een basilisk
Voorzichtig daarmee, had de brouwer gezegd. Hij bedoelde de spiegel.

De brouwer stuurde zijn jongste knecht altijd naar beneden als er iets zwaars moest worden getild. Hij noemde dat ervaring opdoen.

Als er boven iets lekkers moest worden geproefd, had de jongen nog onvoldoende ervaring.

Op een ochtend kwam een andere knecht niet uit de kelder terug. De brouwer riep door het luik dat slapen onder werktijd van het loon werd afgetrokken. Er kwam geen antwoord.

Hij stuurde een tweede man.

Ook die bleef beneden.

Toen telde de brouwer zijn personeel. Daarna telde hij zijn vaten. Hij besloot dat er iets moest gebeuren.

In de Utrechtse brouwerijkelder woonde een basilisk. Voor wie er nog nooit een heeft ontmoet: dat is het verstandigste wat je met een basilisk kunt doen. Het beest leek op een hagedis die zich had uitgedost om een haan bang te maken. Het had stekels, een kwaadaardig humeur en ogen die volgens de sage doodden wie erin keek.

Dat laatste was bijzonder onhandig voor bezoekers. Men kon het niet eens beleefd aankijken om te zeggen dat men liever later terugkwam.

De deuren van de brouwerij werden gesloten. Er kwam een strook touw om het huis. De brouwer ging ernaast staan en vertelde iedereen dat hij nog nooit klachten over zijn bier had gehad.

Een man met een zwaard bood aan het monster te verslaan. Hij wilde vooraf weten hoe groot het was.

„Daar zult u even voor moeten kijken,” zei de brouwer.

De man trok zijn aanbod in.

Een geleerde zei dat men de aard van het wezen moest bestuderen. Hij stelde voor daarvoor eerst iemand anders naar beneden te sturen.

Een derde raadde aan de brouwerij dicht te metselen. De brouwer vond dat onverantwoord, met al dat goede bier er nog in.

De jongste knecht luisterde. Hij heette in dit verhaal Teun en was meestal degene die dingen moest vasthouden terwijl anderen uitlegden waarom ze belangrijk waren.

„Kan het zichzelf aankijken?” vroeg hij.

De geleerde draaide zich naar hem om.

„Een zeer ingewikkelde vraag.”

„Maar kan het?”

Dat kon het niet. Daarover waren de boeken duidelijker dan de geleerde.

Teun ging iets halen.


Hij kwam terug met de spiegel uit de kamer van de brouwer. Het was een dure spiegel. De brouwer bekeek er iedere ochtend zijn eigen waardigheid in en streek dan nog eens over zijn buik.

„Voorzichtig daarmee,” zei hij onmiddellijk.

Teun legde een doek over het glas. Hij liet een blinddoek voorbinden en vroeg waar de eerste trede begon.

Nu de jongen werkelijk wilde afdalen, werd het stil. De brouwer opende zijn mond. Er kwam geen opdracht uit. Dat was nieuw.

De trap was ongelijk. Teun kende iedere trede, doordat hij er zo vaak iets veel te zwaars over naar beneden had moeten dragen. Bij de vierde hield hij zijn hoofd schuin voor de lage balk. Bij de laatste schoof hij zijn voet over de vloer tot hij de rand van het vat voelde.

Hij hoorde iets schuren.

De basilisk had hem gezien.

Het monster staarde.

Teun bleef staan.

De basilisk staarde harder.

Er gebeurde niets. Het dier was nog niet eerder met zo weinig medewerking geconfronteerd.

Teun voelde zijn handen glibberen langs het hout. Boven kraakte een plank. Hij hoopte vurig dat niemand hem een laatste goede raad kwam geven.

Het schuren kwam dichterbij.

Hij draaide de spiegel om en trok de doek weg.

Een kleine stekelige basilisk kijkt woedend naar zijn spiegelbeeld
Een bijzonder onaangename kennismaking met zichzelf.

De basilisk keek recht in twee afschuwelijke ogen.

Het waren zijn eigen ogen, maar daar werd de ontmoeting niet vriendelijker van.

Er klonk een scherp gesis. Iets tikte tegen het glas. Toen rook Teun een droge, bittere lucht, alsof een oude kam in het vuur was gevallen.

Hij wachtte.

Nog steeds wachtte hij.

„Is het klaar?” riep de brouwer van boven.

Teun antwoordde niet. Voor het eerst die dag liet hij zijn baas wachten.

Pas toen alles stil bleef, schoof hij de blinddoek opzij. Op de vloer lag een hoopje as. De kelder was weer gewoon een kelder, behalve dat er nu heel veel moest worden opgeruimd.

Boven wilde iedereen tegelijk weten hoe het was gegaan. De brouwer pakte de spiegel aan en hield hem tegen het licht.

„Een kras,” zei hij.

Teun bekeek zijn baas. Toen de spiegel. Toen zijn baas weer.

„Nee,” zei hij. „Dat is uw gezicht.”

Herkomst · Vrij naverteld

Naar De Basiliscus van Utrecht in Josef Cohens Nederlandsche sagen en legenden. Het monster, de dodelijke blik en de spiegelproef komen uit de sage; de knecht Teun en de brouwersgrappen zijn nieuw uitgewerkt.

De Basiliscus van Utrecht

Dialogen en komische scènes zijn nieuw geschreven. AI-illustraties verbeelden de vertelling.