Kapitein Van der Decken zette een matroos aan wal omdat die te laat was.
De man was bezig geweest het schip los te maken.
„Dan had hij eerder moeten beginnen,” zei de kapitein.
Hij had voor alles een tijd. Eten. Slapen. Zeilen bijzetten. Bidden mocht als er daarna geen werk bleef liggen. Alleen voor twijfel had hij geen tijd ingeruimd, zodat het aan boord nooit officieel voorkwam.
In de vertellingen die men met Terneuzen verbindt, vaart deze koppige kapitein uit wanneer hij beter had kunnen blijven. Ons verhaal begint op zo'n ochtend.
Het water stond hoog tegen de kade. De andere schepen lagen vast. In de masten floot de wind alsof hij de bemanning persoonlijk waarschuwde.
De stuurman keek naar de lucht.
Van der Decken keek naar de stuurman.
„Wat zoekt u daar?”
„Beter weer.”
„Dan kunt u lang kijken.”
Hij gaf bevel te vertrekken.
Op zee kreeg hij gelijk. De stuurman kon inderdaad lang kijken.
Er kwam geen beter weer.
De golven sloegen over het dek. De mannen trokken aan natte touwen met handen die ze nauwelijks nog voelden. In de kombuis vloog een pan van links naar rechts zonder iets te koken.
De kapitein bleef bij het roer. Iedere keer dat de wind hem terugduwde, zette hij zijn kaak verder naar voren. Op den duur stak die bijna even ver uit als de boeg.
Ze zagen land. Daarna zagen ze het niet meer. Daarna opnieuw, maar op een plek waar het niet hoorde te zijn.
„We moeten omkeren,” zei de stuurman.
De kapitein draaide zich zo langzaam om dat de man tijd had om spijt van zijn woorden te krijgen.
„Omkeren?”
Er viel een stilte tussen twee donderslagen.
„Ik zal er komen,” riep Van der Decken, „al moet ik varen tot de laatste dag!”
De wind ging liggen.
Heel even maar.
Het was lang genoeg om te horen dat er ergens werd gelachen.
Toen begon de storm opnieuw.
Aanvankelijk dacht de kapitein dat er niets veranderd was. Het schip voer. De mannen werkten. De bestemming lag nog steeds voor hen.
Maar de dagen begonnen vreemde dingen te doen.
De zon kwam op zonder warmte. De maan verscheen zonder dat iemand zich herinnerde dat zij was weggegaan. Een gescheurd zeil bleef gescheurd, maar scheurde nooit helemaal af. Een mast die had moeten breken, bleef kraken.
Een matroos liet zijn drinkbeker vallen. Hij ving hem op voordat hij het dek raakte.
Toen liet hij hem weer vallen.
De beker kwam nooit werkelijk beneden. Hij bleef maar vallen in die ene, uitgerekte seconde.
De man liep ervan weg.
Niemand vroeg waarom.
Van der Decken hield zijn boek bij. Hij schreef de koers op. Hij schreef het weer op. Hij wilde de datum opschrijven en ontdekte dat zijn laatste bladzijde vol stond met dezelfde dag.
Hij scheurde haar eruit.
De volgende bladzijde begon ermee.
Na lange tijd verscheen een ander schip.
Er stonden levende mannen aan dek. Hun kleren waren anders. Hun gezichten bewogen op een manier die de stuurman bijna vergeten was.
Hij had een brief voor thuis. Die had hij telkens opnieuw in zijn jas gestopt, zodat de randen zacht waren geworden als oud linnen.
„Neem hem mee!” riep hij.
Het vreemde schip kwam niet dichterbij.
De kapitein nam de brief van hem over en stak zijn hand uit over de verschansing. Voor één keer wilde hij iets van een ander aannemen dat geen gehoorzaamheid was.

„Een brief!” riep hij. „Voor thuis.”
Een man op het andere schip zag het vaartuig zonder schaduw. Hij zag de zeilen die niet bij de wind pasten. Hij sloeg een kruis en dook weg.
De schepen dreven uiteen.
De stuurman hield zijn brief weer tegen zich aan.
„Mijn zoon zal groot zijn,” zei hij.
Van der Decken antwoordde niet.
Het was hem opeens niet duidelijk hoeveel tijd groot worden kostte.
Sindsdien, zeggen de zeelieden, vaart het spookschip verder. De kapitein blijft aan zijn roer staan.
Soms ziet hij een haven. Er branden lichten. Er klinkt een hond. Hij ruikt brood.
Maar zodra hij wil aanleggen, zet de wind weer op.
Zijn handen zijn dun geworden. Zijn jas hangt ruimer. Alleen zijn stem heeft niets verloren van de zekerheid waarmee hij ooit een man ontsloeg die het schip losmaakte.
De stuurman vraagt niet meer wanneer ze aankomen.
Toch geeft Van der Decken af en toe antwoord.
„Op tijd.”
Het is de enige leugen die hij nog volledig gelooft.
Herkomst · Vrij naverteld
Een vrije bewerking van de Vliegende Hollander, de spookscheepssage die ook met Terneuzen wordt verbonden. Cohen vertelt een versie met verlossing; hier is gekozen voor de eindeloze vaart. Het tijdschema en de stilvallende tijd zijn eigen toevoegingen.
De Vliegende Hollander · De Terneuzense overlevering
Dialogen en komische scènes zijn nieuw geschreven. AI-illustraties verbeelden de vertelling.
