Nederland in al zijn verhalenReizen · erfgoed · cultuur · natuur
HomeHolland Magazine
Nederlands

Volksverhalen / Alle verhalen / Overijssel

Overijssel · Stadsspot

De rekening van één dubbeltje te veel

Zwolle wil ieder muntje hebben. Kampen zorgt ervoor dat het er heel veel zijn.

Zwolse bestuurders proberen een stortvloed van koperen muntjes op hun vergadertafel in bedwang te houden
Tot op het kleinste muntje. Daar had hij zelf om gevraagd.

De Zwolse penningmeester had een hekel aan afgeronde bedragen. Een afgerond bedrag betekende volgens hem dat er ergens een muntje lag dat hij nog niet had.

Als een rekening maar één dubbeltje te laag uitviel, liet hij een bode sturen. Dat kostte twee dubbeltjes, maar het ging om het beginsel.

Nu verkocht Zwolle zijn klokkenspel aan Kampen. Tenminste, zo vertelt het oude spotverhaal het. De klokken waren niet meer de mooiste, maar de Zwolse heren vroegen er een prijs voor alsof ze persoonlijk door engelen waren gestemd.

De Kampense koper luisterde naar de laatste klok. Die gaf een geluid als een koekenpan die de trap af viel.

„Die heeft karakter,” zei de penningmeester.

„Dat hoor ik.”

Er werd onderhandeld. De koper zuchtte, de penningmeester glimlachte en uiteindelijk schudden ze elkaar de hand.

„Het hele bedrag,” zei de penningmeester. „Tot op het kleinste muntje.”

De koper keek hem aan.

„Daar kunt u op rekenen.”


De eerste wagen reed op een ochtend de stad binnen. Er lagen zakken op. Een tweede wagen volgde. Ook zakken.

De penningmeester riep de raad bijeen. Hij vond het goed voor de waardigheid van het bestuur als iedereen zag hoeveel geld hij had verdiend.

De eerste zak werd op tafel gezet.

Kleine koperen munten.

De tweede zak werd geopend.

Nog meer kleine koperen munten.

„Hebt u ook groot geld?” vroeg een raadslid.

„Jazeker,” zei de voerman. „Maar dat hebt u niet besteld.”

De penningmeester stak zijn kin vooruit.

„Geld is geld. Wij tellen.”

Hij liet de deuren sluiten. Niemand mocht vertrekken voordat het bedrag klopte.

Het tellen begon ordelijk. Stapeltjes werden rijtjes. Rijtjes werden groepjes. Iedere heer kreeg een eigen stuk tafel en een eigen reden om zijn buurman niet te vertrouwen.

De jongste schrijver kwam met brood binnen.

„Niet op tafel,” beet de penningmeester hem toe.

De schrijver bleef staan met het blad. Niemand had nog een vrije hand.

Een raadslid niesde.

Drie stapeltjes vielen om.

„Waar was ik?” vroeg hij.

Niemand wilde zich daarmee bemoeien.


Tegen de middag hadden de heren warme hoofden. Tegen de avond hadden ze pijnlijke ruggen. Hun vingers kregen in het verhaal een vreemde blauwe kleur van al dat tellen.

De penningmeester hield de zijne onder de lamp.

„Slechte verlichting.”

Hij liet een tweede lamp halen.

Nu waren ze nog blauwer.

Een munt rolde van tafel. Alle heren zagen het gebeuren. Ze keken hoe hij over de vloer stuiterde, tegen een stoelpoot tikte en eronder verdween.

„Die hoort bij mij,” zei de penningmeester.

Hij ging op zijn knieën. Het raadslid naast hem maakte snel zijn stapeltje iets hoger.

De schrijver zag het. De kat zag het ook, maar die had belangstelling voor de munt onder de stoel.

Vermoeide handen boven muntstapeltjes, met een kattenpoot bij de munt onder de stoel
De kat kon niet tellen. Zij deed gewoon mee.

De penningmeester kwam kreunend overeind met een koperen munt in de hand en stof aan zijn voorhoofd.

„Niemand heeft iets aangeraakt?”

De raad zweeg met overtuiging.

Ze telden verder.

Buiten werd het donker. De voerman had zijn paard uitgespannen en zat bij de deur aan een warme maaltijd. Soms hoorde hij binnen een getal. Dan een vloek. Dan weer een veel lager getal.

De volgende ochtend klopte hij aan.

„Klaar?”

De penningmeester deed open. Zijn kraag stond scheef. Zijn vingers waren blauw tot waar hij ze nog in zijn mouwen kon verstoppen.

„Er ontbreekt één munt.”

De voerman haalde een munt uit zijn zak en legde die op de tafel.

Niemand bewoog.

„Zo,” zei hij. „Dan zijn we er.”

De penningmeester bekeek de munt. Daarna keek hij naar zijn telling. Er verscheen een klein, verschrikkelijk plooitje tussen zijn ogen.

„Of,” zei hij langzaam, „we hadden hem al meegeteld.”

De voerman pakte zijn jas.

Achter hem trok de schrijver de deur dicht. Heel voorzichtig. Hij wist nu wat één verkeerde beweging kon kosten.

Zo kregen de Zwollenaren in dit spotverhaal hun blauwe vingers. Of die naam werkelijk zo is ontstaan, is een andere kwestie.

Maar in Kampen, zo willen we ons graag voorstellen, werd die avond voor het eerst het gekochte klokkenspel geluid.

De lelijkste klok klonk opeens buitengewoon vrolijk.

Herkomst · Vrij naverteld

Naar het Blauwvingers-spotverhaal over Zwolle en Kampen, beschreven door Visit Zwolle. De blauwe vingers zijn een motief uit de overlevering, geen verklaring van metaalchemie of bewezen naamsgeschiedenis.

Het verhaal van de Blauwvingers

Dialogen en komische scènes zijn nieuw geschreven. AI-illustraties verbeelden de vertelling.