Nederland in al zijn verhalenReizen · erfgoed · cultuur · natuur
HomeHolland Magazine
Nederlands

Volksverhalen / Alle verhalen / Zuid-Holland

Zuid-Holland · Paleisklucht

De hertog met de vuile voeten

Het hof wil lachen om een schoenlapper op de troon. Maar de schoenlapper heeft opdrachten voor het hof.

Een verbaasde schoenlapper wordt in een groot paleisbed wakker terwijl hovelingen diep voor hem buigen
Uwe Hoogheid wist nog niet waar zijn broek was.

De hertog had alles wat een mens zich kon wensen, behalve een ochtend waarop hij zich niet verveelde.

Daarvoor hield hij hovelingen. Zij moesten hem aan het lachen maken, en hij betaalde hen royaal zolang de grap over iemand anders ging.

Op een nacht vonden ze in het Haagse Voorhout een slapende schoenlapper. Willem heette hij. Hij had te veel gedronken en lag onder een boom te snurken met de overgave van iemand die geen enkel paleis hoefde te besturen.

De hertog bleef staan.

„Breng hem naar mijn bed.”

De hovelingen keken naar Willems schoenen.

„In uw bed?”

„Zonder die.”

Ze droegen hem weg, wasten hem, staken hem in een mooi hemd en zetten een zijden slaapmuts op zijn hoofd. Willem snurkte door. Alleen toen iemand aan zijn voeten kwam, mompelde hij dat de zolen nog best een week meekonden.

Het hele hof kreeg opdracht hem de volgende dag als hertog te behandelen.

De echte hertog zou vanachter een gordijn toekijken.

Het leek hem een voortreffelijke besteding van overheidsgeld.


Willem werd wakker doordat iemand hem heel eerbiedig door elkaar schudde.

Er stonden mensen om zijn bed. Te veel mensen, vond hij, voor een man die nog niet wist waar zijn broek was.

„Uwe Hoogheid.”

Willem keek achter zich.

Niets. Alleen een kussen groter dan zijn hele werkbank.

„Uwe Hoogheid,” herhaalde de kamerheer.

„Ik ben Willem.”

De kamerheer glimlachte medelijdend. Hij had lang geoefend op die glimlach; hij gebruikte hem gewoonlijk voor mensen die gelijk hadden.

„U hebt onrustig gedroomd.”

Ze brachten hem ontbijt. Zo veel ontbijt dat Willem dacht dat men zich in het aantal gasten had vergist. Een jongen hield een schaal voor hem vast.

„Zet maar neer,” zei Willem.

„Dat is niet de gewoonte.”

Willem nam een hap. De jongen bleef staan.

Hij nam nog een hap. Nog steeds stond de jongen er.

Willem keek naar de boter, de broodjes, het zilver en de lange rij wachtende mensen. Toen begreep hij wat voor plaats dit was.

„Ik ben dus de baas?”

Achter het gordijn gaf iemand een onderdrukte snuif.

„Zonder enige twijfel, Uwe Hoogheid.”

Willem schoof op.

„Dan mag die jongen zitten.”


De kamerheer werd wit om zijn neus. Het was een uitstekend gevormde neus, die nog nooit zulke onwelvoeglijke lucht had ingeademd.

„Een page zit niet bij de hertog aan tafel.”

„Dan ben ik misschien toch Willem.”

Dat mocht beslist niet. De grap zou bedorven zijn voordat de hertog er plezier van had gehad.

Er kwam een stoel.

De jongen ging zitten.

Willem gaf hem een broodje.

De hertog achter het gordijn grinnikte niet meer.

Na het ontbijt vroegen ze wat Zijne Hoogheid wenste te doen. Jagen? Muziek horen? Een zeldzame vogel bekijken?

Willem zag een hoveling mank lopen.

„Wat is er met jouw voet?”

„Niets, Uwe Hoogheid.”

„Dan deugt je schoen niet.”

Dat was moeilijk te ontkennen.

Willem liet de schoen uittrekken. Hij boog de zool, bekeek de hak en snoof.

„Veel versiering. Weinig werk.”

Hij vroeg om gereedschap. De kamerheer zei dat er in het paleis niet werd gelapt.

Willem keek hem geduldig aan.

De kamerheer liet gereedschap halen.

Een overdreven deftig geklede kamerheer probeert op zijn knieën een laars te repareren
In dit paleis werd niet gelapt. Tot vandaag.

Even later zat de man met zijn kanten kraag op de grond en hield een laars vast terwijl Willem uitlegde waar de steek doorheen moest. De page keek ademloos toe. Hij had zijn broodje opgegeten en begon hoop te krijgen op de rest van de dag.

De andere hovelingen stonden stokstijf. Ieder van hen bedacht een reden waarom zijn eigen schoenen absoluut niet kapot konden zijn.

Achter het gordijn besloot de hertog dat de middag lang genoeg had geduurd.


Die avond kreeg Willem een feestmaal. Men schonk zijn beker telkens bij. Toen hij weer diep sliep, trokken ze hem zijn oude kleren aan en brachten hem terug naar het Voorhout.

Hij werd wakker onder dezelfde boom. Zijn rug deed pijn. Zijn voeten waren koud.

Het paleis was weg. De page was weg. De kamerheer met de laars was weg.

„Een droom,” mompelde hij.

Hij liep naar huis, ging aan zijn werkbank zitten en pakte een schoen.

Enkele dagen later kwam een bediende een paar laarzen brengen. Willem herkende ze onmiddellijk. De hak zat nog los. Binnenin stond een krom steekje, het ongelukkigste steekje dat hij ooit had gezien.

Hij hield de laars omhoog.

„Wie heeft hieraan zitten prutsen?”

„Dat weet ik niet,” zei de bediende.

Willem voelde onder de rand. Daar zat het knoopje dat hij de kamerheer zelf had laten maken.

Hij glimlachte.

Op de rekening schreef hij een bedrag. Toen zette hij er nog een bedrag onder.

Voor de les.

Herkomst · Vrij naverteld

Naar De slaper in het Voorhout in Josef Cohens Nederlandsche sagen en legenden. Een slapende arme man wordt als vorst behandeld en later teruggebracht. Willem, de page, de laarzenles en de rekening zijn eigen uitwerkingen.

De slaper in het Voorhout

Dialogen en komische scènes zijn nieuw geschreven. AI-illustraties verbeelden de vertelling.