Nederland in al zijn verhalenReizen · erfgoed · cultuur · natuur
HomeHolland Magazine
Nederlands

Volksverhalen / Alle verhalen / Noord-Brabant

Noord-Brabant · Kaboutersage

De ochtend waarop niemand iets gedaan had

De boer noemt zichzelf de hardste werker van de Kempen. Zijn werk gebeurt vooral wanneer hij slaapt.

Kabouters doen al het nachtelijke werk terwijl de boer in zijn stoel ligt te snurken
Vroeg beginnen, zei de boer. Hij bedoelde: vroeg naar bed.

De boer vertelde iedereen dat hij nooit stilzat.

Dat deed hij meestal zittend.

Zijn erf was het netste van de streek. Zijn brood was gebakken voordat de zon opkwam. Zijn werktuigen lagen schoon in het rek en het graan werd gedorst met een snelheid waar de buren hun hoofd over schudden.

„Vroeg beginnen,” zei hij dan.

Hij ging inderdaad vroeg naar bed.

De rest deden de kabouters.

In de Kempen vertelde men van kleine wezens die 's nachts op boerderijen werkten. Ze bakten, poetsten, karnden en sjouwden. Men moest hen vooral niet bespieden. Hun koning heette Kyrië en woonde bij Hoogeloon.

Onze boer woonde in de omgeving van Meerveldhoven. Hij liet iedere avond werk staan dat hij zelf geen prettige bezigheid vond. Na verloop van tijd bleek dat bijna alles te zijn.

Aanvankelijk zette hij nog wat eten klaar. Later een kleiner schaaltje. Daarna bedacht hij dat er in de keuken altijd wel kruimels lagen.

„Ik wil ze niet verwennen,” zei hij tegen zijn vrouw.

Die keek naar zijn voeten op de bank.


Op een avond bleef hij extra lang op. Hij had een nieuw systeem bedacht. Links van de deur zette hij alles wat dringend was. Rechts wat tot de volgende nacht kon wachten. Middenin legde hij dingen waarvan hij niet wist wat ermee moest gebeuren, maar die de kabouters vast wel begrepen.

Hij ging tevreden slapen.

Onder de vloer klonk het schuiven van kleine stoelen.

Die nacht werd er niet gehamerd.

Geen bezem schraapte over de stenen. Er klonk geen geplons bij de was. De muizen, die gewoonlijk moesten wachten tot de kabouters klaar waren, kwamen vroeg tevoorschijn en stonden verbaasd op de lege vloer.

De boer sliep door. Stilte was het enige werk waar hij nooit bezwaar tegen had.


De volgende ochtend stond hij voor de deur van de schuur.

Alles stond er nog.

Hij ging naar de keuken. De oven was koud. De kan was leeg. Er lag een korst in een schaaltje met een aangevreten hoek.

„Ze zijn laat,” zei hij.

Zijn vrouw gaf hem een doek.

„Dan kun jij vast beginnen.”

Hij bleef wachten.

Tegen de middag kwam er een buurman met bericht. Kabouterkoning Kyrië was door een jager getroffen en gestorven. Overal verzamelden de kleine wezens zich. Ze zouden vertrekken.

De boer luisterde met open mond.

„Vertrekken?”

De buurman knikte.

„Maar wie maakt dan mijn kar?”

Zijn vrouw nam de doek weer uit zijn hand en smeet hem in de was.


Die nacht ging de boer naar buiten. Hij had gehoord dat de kabouters langs de brug zouden komen. Misschien kon hij hen tegenhouden. Hij nam een grote kom pap mee. Daar had hij veel boter in gedaan.

Toen hij bij de brug kwam, hoorde hij het trippelen al.

Het was een zacht geluid, maar er kwam geen einde aan. Kleine voeten. Kleine klompen. Het tikken van werktuigen tegen elkaar.

Hij zag de eerste mutsen boven het gras verschijnen en werd opeens bang. Hij was gewend aan kabouters die werkten wanneer hij er niet bij was. Nu kwamen ze werkelijk zijn kant op.

De boer stapte achteruit, gleed van de kant en belandde onder de brug.

Het water stond tot zijn knieën.

Boven hem trok de stoet voorbij.

Een kabouterstoet draagt een gesloten baar over de brug; eronder staat een boer met een kom pap in het water
Hij kende niemand bij naam.

Er waren mannen, vrouwen en oude wezentjes die op stokken steunden. Er werden werktuigen gedragen, bundeltjes en lampjes. Verderop kwam een kleine gesloten baar met bloemen.

Niemand zong.

De boer hield zijn kom omhoog. Er drupte slootwater uit zijn mouw in de pap.

„Ik heb wat voor jullie,” fluisterde hij.

Boven zijn hoofd bleven voetstappen even staan.

Hij durfde niet te kijken wie er stond.

„Voor wie?” vroeg een kleine stem.

De boer opende zijn mond.

Hij wist geen enkele naam.

De voetstappen gingen verder.


Toen hij thuiskwam, was de ochtend begonnen. Op het erf lag het werk van gisteren. In de schuur het werk van eergisteren.

Zijn vrouw zat aan tafel met een boterham.

Hij pakte de bezem.

Die was zwaarder dan hij zich herinnerde.

Bij het eerste vegen schoot de steel uit zijn hand en viel een emmer om. De kat vluchtte. Zijn vrouw haalde haar voeten van de vloer en at rustig verder.

Later kwam de buurman langs.

„Druk?”

De boer leunde op zijn bezem. Hij had stof op zijn voorhoofd, een blaar op zijn duim en voor het eerst iets gedaan voordat hij erover begon te vertellen.

„Ontzettend,” zei hij.

Het was jammer dat hij het zo vaak eerder had gezegd.

Niemand geloofde hem meer.

Herkomst · Vrij naverteld

Naar de Kempische verhalen over kabouters en het vertrek na de dood van koning Kyrië, verzameld door Stichting Historisch Erfgoed Veldhoven. De opscheppende boer, zijn karige beloning en zijn laatste kom pap zijn eigen toevoegingen.

Kabouters — het vertrek na de dood van Kyrië

Dialogen en komische scènes zijn nieuw geschreven. AI-illustraties verbeelden de vertelling.