De schout van Weert oefende iedere ochtend zijn strenge gezicht voor de spiegel.
Hij trok zijn wenkbrauwen samen, stak zijn kin vooruit en zei: „In naam van het gezag!”
Daarna vroeg hij zijn vrouw of het ei al klaar was.
Hij was een uitstekend bewaker van de rust. Vooral wanneer die rust vanzelf bleef bestaan.
Op een dag verloor een viskoopman een rog van zijn kar. De vis belandde op straat. Het was een plat dier, met een lange staart en een uiterlijk waarover buiten het water gemakkelijk misverstanden ontstaan.
Een man zag hem liggen.
De rog bewoog.
De man klom op een ton.
Even later stonden er zes mannen op drie tonnen.
Iemand zei dat het een draak was. Iemand anders had nog nooit een draak gezien en vond dat een goede reden om het ermee eens te zijn.
Een vrouw ging de schout halen.
Ze trof hem bij zijn achterdeur.
„Er is een monster.”
De schout knikte. Hij had iets dergelijks al vermoed, omdat hij rumoer had gehoord en daarom juist via de achterkant weg wilde.
„Ik kom onmiddellijk.”
Hij zocht zijn hoed.
Hij zocht zijn stok.
Hij zocht een andere stok.
De vrouw nam hem bij de arm en bracht hem naar het plein.
De schout zag de rog. Hij bleef staan op een afstand die hem geschikt leek voor de uitoefening van zijn ambt.
„Wie heeft dit dier toestemming gegeven hier te liggen?”
Niemand antwoordde.
Het dier ook niet.
De schout begon een toespraak over moed. Hij legde uit dat moed betekende dat je voor anderen uit durfde te gaan.
Toen vroeg hij wie er wilde beginnen.
De smid nam een pook. De bakker pakte zijn broodschieter. Een man kwam met een zeis, maar ging zo staan dat zijn buurman tussen hem en de vijand bleef.
De schout liep achter hen.
„Voorzichtig!” riep hij.
Dat hoefde hij niet te herhalen.
Ze naderden de vis stap voor stap. Wanneer de eerste man ophield, hielden de anderen ook op. Wanneer de laatste man een geluid maakte, schrokken ze allemaal van de eerste.
De rog sloeg met zijn staart.
De linie brak.
De bakker rende zijn eigen winkel binnen. De smid klom over een hek dat hij zelf had gemaakt en constateerde voor het eerst dat zijn punten nogal scherp waren. De man met de zeis bleef haken aan een waslijn.
De schout stond nog op dezelfde plek.
Hij noemde dat standhouden.
Er moest versterking komen. De klokken werden geluid. Boeren uit de omgeving kwamen met stokken, gereedschap en gezichten waarop stond dat men hen maar beter voor iets belangrijks van het land kon hebben gehaald.
De schout hield opnieuw een toespraak. Ditmaal was het monster al in drie dorpen gezien. Het had vee verslonden. Misschien ook mensen. Hij wist het niet zeker, maar hij had gemerkt dat zekerheid niet noodzakelijk was zolang je ernstig genoeg sprak.
De boerin die naast hem stond, keek naar de vis.
„Waarom is hij dan zo plat?”
De schout had daar een antwoord op kunnen bedenken als de rog niet juist op dat moment nog eens had bewogen.
„Aanvallen!” riep hij.
Hij trok de boerin een eindje voor zich.
De menigte kwam in beweging. Er werden wapens geheven. Er werd geschreeuwd. Iemand blies op een hoorn en kreeg er alleen een benauwd gepruttel uit.
Het zou een grote dag voor Weert worden.
Toen kwam de viskoopman terug.
Hij duwde zich tussen twee helden door, boog voorover en pakte de rog op.
Er viel een stilte die tot aan de stadspoort reikte.
De koopman legde de vis op zijn kar.
„Daar ben je.”

De schout schraapte zijn keel.
„U kent het wezen?”
„Ik verkoop hem.”
De koopman keek naar de zeis, de pook en de man die nog op de ton stond.
„Wat doen jullie?”
Niemand deed nog iets.
Een van de boeren begon te lachen. Hij probeerde het tegen te houden, maar de lach kwam langs zijn hand naar buiten. Dat hielp de anderen niet.
De schout zette zijn hoed recht.
„Wij hadden de situatie onder controle.”
De koopman haalde een touw over zijn lading.
„Mooi. Dan zal ik hem voortaan beter vastbinden.”
Hij reed weg.
De boeren keerden terug naar hun land. Onderweg vertelden ze het verhaal aan iedereen die het wilde horen, en aan een flink aantal mensen dat bezig was met iets anders.
Sindsdien heten de Weertenaren in het spotverhaal rogstekers.
De schout liet later optekenen dat de vijand zich na zijn ingrijpen had teruggetrokken.
Dat was niet gelogen.
Er stond alleen niet bij op wiens kar.
Herkomst · Vrij naverteld
Naar De Weerter Rogstekers in Josef Cohens Nederlandsche sagen en legenden. Een verloren rog wordt voor een gevaarlijk wezen aangezien. De ijdele schout en zijn officiële verslag zijn nieuw uitgewerkt.
Dialogen en komische scènes zijn nieuw geschreven. AI-illustraties verbeelden de vertelling.
