De commissie begon met het schrappen van de lunchpauze.
Dat betekende niet dat de heren niet zouden lunchen. Het betekende dat hun lunch voortaan als vergadertijd werd gerekend.
Er waren drie heren: Stokkum, Kortum en Bergum. Ze moesten vier Groningse dorpen een naam geven. Dat was dringend nodig, want een reiziger die vroeg waar hij was, kreeg steevast te horen: hier. Wie naar het volgende dorp vroeg, moest daarheen. Zo kwam een mens nooit ergens met zekerheid aan.
Stokkum was voorzitter, omdat hij de breedste stoel nodig had. Kortum kon over iedereen heen kijken en werd daarom belast met het overzicht. Bergum had een ganzenveer. Hij was de schrijver.
„Er moet iets deftigs uitkomen,” zei Stokkum.
Bergum doopte zijn veer in de inkt.
Een uur later zat er alleen een vlek op het papier.
„Misschien helpt eten,” opperde Kortum.
Het was het eerste voorstel waarover zij het onmiddellijk eens waren.
In het eerste dorp werden ze ontvangen door een waard die al jaren hoopte op een naam die lekker boven zijn deur zou passen. Hij bracht soep, vlees en een schaal aardappelen waarvan de boter nog droop. Stokkum nam van alles een tweede portie, om te controleren of de eerste goed was geweest.
Kortum liet de waard vertellen hoeveel huizen er stonden. Bergum vroeg naar de grondsoort. Stokkum wilde weten of er nog jus was.
Onder de tafel knapte iets.
De waard bukte, op zoek naar een losgeschoten stoelpoot. Het bleek een knoop van Stokkums vest te zijn. Hij was door de kamer geschoten en lag in de waterkan.
„Een slechte kleermaker,” zei Stokkum.
De smid werd gehaald. Die maakte, zoals dat alleen in een oud spotverhaal kan, een ijzeren band om de buik van de voorzitter. Stokkum zat meteen weer een stuk steviger in zijn ambt.
Toen kwam de waard met gebraden gevogelte.
„We moeten verder,” zei Bergum.
„We zijn hier nog niet klaar.” Stokkum trok de schaal naar zich toe.
Bij het laatste boutje begon het ijzer te kreunen. De smid stond al op. Stokkum greep de tafelrand.
„Nog één erom!” riep hij. „Één 'r um!”
Bergum schreef: Eenrum.
Eindelijk had iemand iets gezegd wat geen geld kostte.
Bij het volgende water stond geen brug. Stokkum keek naar de overkant en vervolgens naar de smid, die voor alle zekerheid een eindje was meegelopen.
Kortum nam een lange stok.
„Kijk goed,” zei hij.
Hij zette af, zweefde over de sloot en landde op het gras. Dat was knap. Hij had nu alleen nog zijn stok hoeven neerleggen.
Maar een knappe daad zonder voldoende bewondering is voor sommige mensen een onvoltooide daad.
„En terug,” riep Kortum.
Weer zwaaide hij door de lucht. Zijn jas sloeg om zijn hoofd. Hij landde precies naast de plek waar hij begonnen was.
„Daar heb je dat mens alweer,” zei Bergum.
Hij keek naar zijn papier. Toen glimlachte hij voor het eerst die dag.
Mensingeweer.
Kortum wilde nog één keer springen, maar Bergum zei dat het dorp nu vol was.
Verderop lagen twee dorpen tegenover elkaar aan het water. Ditmaal nam de schrijver de stok. Hij wilde bewijzen dat een man met een ganzenveer ook iets anders kon vasthouden.
Hij sprong.
De stok zonk in de modder.
Bergum bleef boven het midden van het water hangen.
Heel even zag het er plechtig uit. Daarna begon zijn linkerbeen te trillen.
„O, Bergum!” riep Stokkum.
Aan de overkant kwam iemand uit een huis.
„Hoe heet het hier?” vroeg die.
„O, Bergum!” brulde Stokkum opnieuw.
De man knikte. Eindelijk.
Kortum hoopte luid dat hun vriend het zou redden. „Ik wens het hem! Ik winsch 't um!”
Aan de andere kant klonk goedkeurend gemompel. Winsum was ook niet gek.

Het duurde nog enige tijd voordat de commissie weer voltallig op het droge stond. Daarvoor waren twee boeren, een touw en de smid nodig. Stokkum had aangeboden toezicht te houden. Dat deed hij buitengewoon aandachtig.
Bergum goot water uit zijn schoenen. Zijn papier was doorweekt. Alleen de vier namen waren nog te lezen.
„Een vruchtbare reis,” stelde Stokkum vast.
De smid stak zijn hand uit.
„Voor het ijzer.”
De boeren staken hun handen ook uit. Voor het touw. Voor de moeite. Voor de verloren middag.
De drie heren bekeken elkaar.
„Aan welk dorp,” vroeg Bergum, „moeten we de rekening sturen?”
Dat was voor het eerst die dag een vraag waarop alle omstanders het antwoord wisten.
„Niet aan het onze.”
Herkomst · Vrij naverteld
Naar het Groningse naamgevingsverhaal in Josef Cohens Nederlandsche sagen en legenden. De woordspelingen horen bij het spotverhaal; ze verklaren niet de werkelijke herkomst van de plaatsnamen.
Hoe Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum een naam kregen
Dialogen en komische scènes zijn nieuw geschreven. AI-illustraties verbeelden de vertelling.
