Nederland in al zijn verhalenReizen · erfgoed · cultuur · natuur
HomeHolland Magazine
Nederlands

Volksverhalen / Alle verhalen / Drenthe

Drenthe · Roverssage

De bel die voor de rovers luidde

Ellert en Brammert hebben een bel voor hun slachtoffers. Marieke heeft lang genoeg geluisterd.

Twee grote rovers luisteren naar een kleine bel op de heide; Marieke kijkt vanuit de deuropening toe
De rovers hadden overal draden gespannen. Marieke wist precies waar.

Brammert veegde zijn mes af aan het tafellaken en schold Marieke uit omdat het tafellaken vuil was.

„Een huishouden moet ordelijk zijn,” zei hij.

Achter hem lag een berg gestolen schoenen. Er stak een been van een kapotte stoel uit. In de hoek groeide iets op een stuk kaas dat inmiddels waarschijnlijk zelf kon eten.

Zijn vader Ellert knikte. Orde was belangrijk. Daarom hingen hun knuppels keurig naast de deur.

De twee rovers woonden in een hol op de Drentse heide. Reuzen waren het, zei men, met vuisten waarvoor een gewone handschoen alleen als vingerhoed had kunnen dienen. Wie ze tegenkwam, kon beter niets bij zich hebben. En zelfs dan namen ze je jas mee, omdat je hun tijd had verspild.

Ze hadden dunne draden over het veld gespannen. Die kwamen samen bij een bel in het hol. Zodra een reiziger tegen een draad liep, rinkelde de bel en gingen de rovers hem tegemoet.

„Een goede zaak loopt vanzelf,” zei Ellert graag.

Er moest wel iemand poetsen, wassen, koken en de gestolen spullen uitzoeken. Daarvoor hadden ze Marieke meegenomen. Tegen haar zin, uiteraard. Niemand zou uit vrije wil in dat hol zijn gaan werken, zelfs niet als er loon was geweest.

Marieke had geprobeerd te vluchten. De eerste keer was ze over een draad gestruikeld. De tweede keer had Brammert haar bij de rand van de heide ingehaald. Hij had haar teruggedragen als een bundel wasgoed.

Daarna keek ze beter. Ze keek welke draden naar welke paden liepen. Welke rover het eerst opstond. Waar het licht viel als de deur openging. Alles wat ze zag, bewaarde ze. Het was het enige wat ze kon bezitten zonder dat het werd afgepakt.


Op een ochtend beval Brammert dat zij zijn baard zou scheren.

„Je trekt,” zei hij al voordat ze hem had aangeraakt.

Zijn baard zat vol knopen. Er was een vlieg in verdwenen die er niet meer uit kwam. Marieke zette het water klaar.

Toen rinkelde de bel.

Ellert sprong op. „Die is voor mij.”

„De vorige ook al.”

„De vorige had geen geld.”

„Dan was hij zeker van mij geweest.”

Ellert stoof naar buiten. Brammert zakte terug en legde zijn hoofd in Mariekes schoot. De deur bleef een eindje openstaan. Buiten beefden de grassprieten in de wind.

Marieke wachtte.

„Niet zo lang treuzelen,” mompelde de reus.

Zijn ogen vielen dicht. Hij had er geen ogenblik aan gedacht dat iemand die hij gevangen hield, misschien wel weg wilde.

Marieke keek naar de open deur. Daarna naar het scheermes. Er zou geen derde poging komen.

Ze doodde haar bewaker.

Ze legde het neer.

En rende.

De eerste draad lag vlak voor de deur. Ze stapte eroverheen. De tweede hing bij een pol gras; die had ze honderden keren gezien wanneer ze naar buiten mocht om water te halen. Ze hurkte, kroop eronderdoor en rende verder.

Achter haar bleef het stil.

Ze had zich zo vaak voorgesteld hoe het zou zijn om vrij over de heide te lopen, dat het vreemd was hoe weinig op vrijheid leek. Haar adem sneed in haar keel. Een tak haakte in haar rok. Ze rukte de stof los en liet het gescheurde stuk hangen.

Toen hoorde ze de brul.

Ellert was thuis.


De grond begon achter haar te dreunen. Zij moest vier passen zetten waar hij er één zette. Haar ouderlijk huis lag aan de rand van het veld. Ze zag het dak. Ze zag de deur. Het leek alsof iemand het huis telkens een stukje verder schoof.

„Terug!” brulde Ellert.

Dat was alles wat hij kon bedenken. Alsof ze per ongeluk de verkeerde kant op was gegaan.

Marieke keek niet om. Ze had zijn gezicht lang genoeg gezien.

Bij de laatste greppel zakte haar voet weg. Ze viel op één knie, trok zich aan het gras omhoog en holde verder. De rover kwam dichterbij. Zijn adem klonk als een blaasbalg met een gat erin.

Ze bereikte de deur en greep de klink.

De deur klemde.

Dat had hij vroeger ook altijd gedaan. Haar vader zou hem maken. Morgen. Als er tijd was.

Marieke zette haar schouder tegen het hout en duwde met alles wat nog in haar zat.

De deur gaf mee.

Ze viel naar binnen. Achter haar sloeg Ellerts bijl in het hout, zo hard dat er stof van de balken kwam. Marieke rolde opzij en kreeg de grendel dicht.

Marieke schuift binnen de grendel dicht; een bijlpunt steekt door de houten deur
Morgen was geen goede dag meer om de deur te maken.

Buiten werd gebruld, geschopt en geslagen. Toen klonk er een dreun die anders was dan de andere.

Daarna niets.

De achtervolging was Ellert te veel geworden. De rover die het hele veld in zijn macht had, lag voor een deur waar hij niet meer doorheen kon.

Marieke bleef tegen de muur zitten totdat haar adem weer van haarzelf was.

Haar vader kwam aanlopen. Hij keek naar de bijl, naar het beschadigde hout en naar zijn dochter.

„Die deur,” begon hij.

„Vandaag,” zei Marieke.

Ze hadden haar jarenlang bevelen gegeven. Het beviel haar uitstekend om er zelf één uit te delen.

Herkomst · Vrij naverteld

Naar de versie van Ellert en Brammert in de Volksverhalenbank, record RKOMADRENT0004. In deze variant is Ellert de vader en Brammert de zoon. Dit is het grimmigste verhaal van de reeks.

Het verhaal van Ellert en Brammert

Dialogen en komische scènes zijn nieuw geschreven. AI-illustraties verbeelden de vertelling.