Een van de bewakers van Loevestein had de gewoonte zijn gevangenen te tellen vlak voordat hij ging eten. Kwam hij er één tekort, dan telde hij opnieuw. Kwam hij er nog steeds één tekort, dan at hij eerst. Koude pap was een ramp die je kon voorkomen.
Het was een korte, brede man met een snor waarin zijn ontbijt de rest van de dag bleef hangen. Hij had een bijzondere hekel aan Hugo de Groot. Die zat opgesloten en las toch meer boeken dan een vrij mens. Dat leek de bewaker misbruik van zijn straf.
Hugo was een geleerde die na een ruzie over geloof en bestuur levenslang had gekregen. De mannen die hem hadden opgesloten, vonden zijn denkwerk gevaarlijk. Ze lieten hem wel boeken bezorgen. Blijkbaar hoopten ze dat hij er ooit iets verstandigs in zou lezen.
De boeken kwamen in een houten kist. Als Hugo ze uit had, gingen ze in dezelfde kist terug.
Aanvankelijk stak de brede bewaker bij iedere bezorging zijn neus tussen de boeken. Hij bladerde zo nors dat je haast zou denken dat hij begreep wat er stond. Na een paar keer geloofde hij het wel. Een boek was een boek. Een kist was een kist. En de pap werd koud.
Hugo's vrouw Maria zag dat.
Maria zag wel meer dingen. Dat haar man langzaam de kleur van de muren kreeg. Dat hij zelfs tijdens het eten aantekeningen maakte. En dat iemand die zo veel wist van de rechten van een mens, bitter weinig deed met zijn eigen benen.
Op een ochtend haalde ze de boeken uit de kist.
„Ga er eens in liggen.”
Hugo keek op van zijn papier.
„Waarin?”
„Er staat hier maar één lege kist, Hugo.”
Hij zette een voet over de rand. Daarna de andere. Hij hurkte, draaide en klemde een knie onder zijn kin. Zijn rechtervoet bleef erbuiten steken, als een bezwaar dat hij vergeten was in te trekken.
Elsje, de dienstmeid, duwde hem voorzichtig terug.
„Zo. Nu het hoofd nog.”
„Mijn hoofd zit al in de kist.”
„Dan moet u er minder mee bewegen.”
Maria liet het deksel zakken. Vlak voordat het dichtging, kwam er een wijsvinger omhoog.
„Er zijn wel enkele bezwaren.”
„Die gaan ook mee,” zei Maria.
Ze oefenden. Eerst lag Hugo er kort in, daarna langer. Maria luisterde bij de deur. Elsje lette op de gang. Hugo ontdekte dat hij een lichaamsdeel bezat waarover hij nog nooit één geleerde regel had geschreven: de plek waar een kistrand in je achterwerk drukte.
Hij had er inmiddels genoeg over te zeggen voor een heel boek.
Op de ochtend van het vertrek legde Maria boeken in zijn bed en trok de dekens eroverheen. In het schemerdonker zag het er behoorlijk geleerd uit.
Hugo stond naast de kist, in zijn onderkleren. Nu er werkelijk iemand geroepen kon worden om hem weg te dragen, kwam hem het plan ineens buitengewoon klein voor.
„En jij?” vroeg hij.
Maria streek een plooi uit zijn mouw.
„Ik blijf hier. Anders gaan ze zoeken.”
Hij hield haar hand vast. Even hoorde je alleen een schoenzool over de gang schrapen. Elsje keek naar de deur.
Toen kroop Hugo in de kist.
„Geen colleges onderweg,” zei Maria zacht.
Ditmaal had hij geen antwoord.
Het deksel ging dicht.
De brede bewaker kwam met een lange soldaat die uitsluitend knieën en ellebogen leek te hebben. Ze grepen de handvatten en tilden.
De brede liet zijn kant onmiddellijk weer vallen.
In de kist beet Hugo op zijn tong.
„Wat hebben die boeken gegeten?” vroeg de soldaat.
„Het zijn dikke,” zei Elsje.
De bewaker veegde zijn snor af. Er kwam een stukje pap mee.
„Daar zit zeker de geleerde zelf in.”
Maria voelde haar nagels in haar handpalmen. Elsje bukte om de sluiting na te kijken. Ze hoefde niets na te kijken, maar haar gezicht moest even ergens anders heen.
De bewaker begon te lachen.
Zijn maat lachte mee. Het leek hun een uitstekende grap. Zo uitstekend dat geen van beiden nog de moeite nam het deksel op te tillen.
Ze hesen de kist opnieuw omhoog.
Op de trap kwam Hugo tot de ontdekking dat er twee manieren waren waarop zijn ontsnapping kon mislukken. Men kon hem betrappen. Men kon hem ook laten vallen.
De dragers werkten hard aan de tweede mogelijkheid.
„Jouw kant hoger,” hijgde de brede.
„Dan moet jij lager.”
„Ik bén al lager.”
Dat was waar. Zijn gezicht hing vlak boven het hout. Hugo kon hem door de wand heen horen snuiven.
Toen begon zijn neus te kriebelen.
Het was aanvankelijk een bescheiden kriebel. Zo'n kriebel die even komt kijken of er iets te beleven valt. Hugo trok zijn bovenlip op. De kriebel nam dat als een uitnodiging en kroop verder.
Hij probeerde bij zijn neus te komen. Zijn hand zat onder zijn knie. Om die los te krijgen, moest zijn knie omhoog. Daar lag zijn kin al.
Een geleerd man in een boekenkist is voornamelijk een verzameling onderdelen die elkaar in de weg zitten.
De kist bonkte tegen de muur. Zijn hand schoot vrij. Hij greep zijn neus en kneep.
Buiten zei de lange soldaat: „Hoorde jij wat?”
De brede bleef staan.
Elsje zag hoe de knokkels om het handvat wit werden. Onder de snor blies een mond lucht naar buiten. Nog één ogenblik en hij zou de kist neerzetten.
„Een van de boeken zit los,” zei ze. „Zal ik boven wat doeken halen? Dan kunt u hem weer terugbrengen.”
De brede keek de trap op die hij zojuist had afgezwoegd.
Hij keek de trap af.
„Doorlopen,” zei hij.
In de kist kneep de gevaarlijkste geleerde van het slot zijn neus dicht alsof zijn hele geleerdheid eruit dreigde te spuiten.

Bij het water zetten ze de kist neer. Elsje ging mee aan boord. Ze hield haar handen zo rustig mogelijk in haar schoot en keek hoe het slot langzaam kleiner werd.
Hugo kon niets zien. Dat was het vervelendste. Hij kon niet controleren of ze voeren, of iemand naar hem keek, of Maria veilig was. Hij kon alleen wachten. En luisteren naar het water, dat overal tegelijk leek te zitten.
Toen het schip in Gorinchem aankwam, moest de kist opnieuw worden gedragen. Nog een straat. Nog een drempel. Een laatste dreun die van Hugo's tanden heel even één tand maakte.
In het huis van de familie Daetselaar gingen de grendels voor de deur.
Elsje tikte op het deksel.
„We zijn er.”
De kist bleef stil.
Ze maakte hem open. Daar lag Hugo, met grote ogen, zijn hand nog om zijn neus geklemd.
„U mag weer,” zei ze.
Hij niesde.
Het was geen bescheiden nies. Het was een nies met achterstallig werk. Elsje deinsde achteruit. Er vloog een draadje van zijn hemd. Vanuit een andere kamer riep iemand of de deur was dichtgeslagen.
Daarna moest de geleerde worden uitgevouwen. Eerst een voet, toen een elleboog, toen iets wat een tweede voet bleek te zijn. Toen hij eindelijk rechtop stond, legde Elsje hem uit dat hij zich moest verkleden als metselaar.
„Ik ben geen metselaar.”
„U was ook geen boek.”
Dat viel niet te weerleggen.
Op Loevestein kwam de brede bewaker die avond een gevangene tekort.
Hij telde opnieuw.
Hij keek onder het bed. Achter de deur. Ten slotte sloeg hij het dekbed terug. Daar lagen boeken. Hij prikte erin, alsof Hugo zich misschien tussen twee bladzijden had platgedrukt.
Toen rende hij naar zijn maat.
„Hij is weg.”
De lange soldaat keek naar zijn handen.
De brede keek naar de zijne.
De volgende ochtend moest de hele wacht horen hoe de ontsnapping had kunnen gebeuren. De brede bewaker vertelde over de kist. Over het gewicht. Over de trap.
„En u hebt niets verdachts gemerkt?”
De bewaker trok zijn rug recht. Zijn snor trilde van gekrenkte trots.
„Integendeel,” zei hij. „Ik had het nog gezegd.”
Een vrije, komische vertelling bij de ontsnapping van Hugo de Groot uit Loevestein. De bewakers, dialogen en niesscène zijn verzonnen. De historische hoofdlijn is beschreven door Slot Loevestein en in Wagenaars geschiedwerk bij DBNL. Bronnen en herkomst van de collectie.
