Schipper Job rekende zijn knechten huur voor de lucht onder zijn zeilen. Op windstille dagen betaalden ze de helft. Job vond zichzelf daarom een redelijke werkgever.
Hij voer vanuit Westerschouwen en had een neus voor winst. Zodra er iets vreemds in zijn net zat, vroeg hij nooit wat het was. Hij vroeg wat ervoor gegeven werd.
Die ochtend stond er een vrouw tussen de vissen.
Niet helemaal. Haar schouders hingen in het net, haar lange staart sloeg tegen de rand van het schip. Ze had haar vingers om een maas geklemd. Met elke ademhaling gingen haar kieuwen moeilijker open.
‘Terug,’ zei ze. ‘Laat me terug.’
Job bukte. Een zeemeermin. Hij voelde in gedachten al aan een volle geldbuidel.
‘Een levend wonder,’ zei hij. ‘Daar komen mensen voor.’
De jongste knecht, Willem, had zijn mes al gepakt om het net los te snijden. Job sloeg het uit zijn hand.
‘Weet jij wat een net kost?’
Naast het schip kwam een hoofd boven water. Een groene baard plakte aan een bruin gezicht. In één arm droeg de meerman een kind; met zijn andere hand greep hij een touw dat overboord hing.
De gevangen vrouw strekte haar vingers naar hen uit.
‘Geef haar terug,’ zei de meerman.
Job begon te glimlachen. Er waren dus méér exemplaren.
‘Wat heb je te bieden?’
De meerman keek naar zijn kind.
‘We hebben een huis.’
‘Onder water, zeker.’
Job lachte. Zijn knechten lachten mee, behalve Willem. Voor dat laatste zou later wel een bedrag worden bedacht.
In de haven wachtte een menigte. Job liet de zeemeermin bij de toren neerleggen. Hij zette er een lege vismand naast. Wie dichtbij wilde komen, moest er een munt in gooien.
Het kind in zee riep zijn moeder. Op de kade vertelde Job dat ze een zeldzame zangstem had. De prijs ging omhoog.
Willem kwam met een emmer water. Job hield hem tegen.
‘Niet over de munten.’
De knecht knielde naast de vrouw en liet het water over haar huid lopen. Ze keek hem even aan. Daarna keek ze weer naar de havenmond.
Het hielp niet genoeg.
Tegen de avond bewoog haar staart niet meer.
De mensen gingen naar huis. Sommigen wilden hun geld terug: ze hadden te ver achteraan gestaan. Job beloofde dat het wonder de volgende ochtend weer te bezichtigen zou zijn.
Toen iedereen weg was, kwam de meerman dichterbij. Hij droeg het slapende kind hoog tegen zijn schouder. Hij vroeg niets meer.
In zijn vrije hand lag een pluk wier met zand ertussen.
Dat was alles.
Job had een groot gebaar verwacht. Bliksem, misschien. Hij deed een stap terug, uit gewoonte, en zette zijn voet op de vismand.
De meerman liet het zand door zijn vingers glijden. Hij sprak over een haven die geen schepen meer zou ontvangen en een toren die alleen zou achterblijven. Toen keerde hij om.
De volgende ochtend liep Jobs schip vast.
Hij liet de haven uitdiepen. De mannen schepten tot hun handen openlagen. 's Nachts kwam het zand terug, met meer tegelijk.
Wekenlang voerde Job zijn oorlog tegen korrels. Hij kocht grotere scheppen. Hij huurde meer mannen. Hij betaalde Willem voor het eerst zonder iets van zijn loon af te trekken.
Willem nam het geld aan en vertrok.
De zee trok zich achter het zand terug. De schepen stonden scheef. De winkels sloten, de bewoners gingen weg en door de lege straten schoof een bleke duin.
Job bleef het langst. Hij hield bij de havenmond zijn oude vismand vast, alsof er elk ogenblik nog iemand kon komen betalen.

Toen ook zijn huis onder het zand verdween, liep hij naar de toren. Die stond er nog.
Op de onderste trede ging hij zitten en keerde zijn laars om.
Er viel zand uit.
Hij schudde harder.
Er kwam meer.
