
De IJssel bij Deventer: waarom een rivier ruimte nodig heeft
De IJssel slingert pal langs de stad. Als het water stijgt, moet het ergens heen. Daarom liggen er geulen in de uiterwaarden.
Vanaf de Wilhelminabrug zie je hoe smal de IJssel hier oogt tussen kades, uiterwaard en dijk. Rivieren in Nederland zijn in de twintigste eeuw steeds vaster gezet: kribben, hoge dijken, minder overstromingsvlakte. Bij langdurige regen of smeltwater uit de Rijn stijgt de stand snel. In 1993 en 1995 kwam het rivierengebied tot aan de rand. Rijkswaterstaat beschrijft de evacuaties en de ommezwaai daarna: niet alleen hogere dijken, maar ruimte.
Het programma Ruimte voor de Rivier (2006–2019) groef nevengeulen, verlaagde uiterwaarden en verlegde dijken. Bij Deventer werden geulen gegraven zodat de IJssel bij hoogwater beter doorstroomt. Ook Nijmegen en het Reevediep bij Kampen maakten deel uit van het programma. Door grond weg te halen kan de rivier over een breder bed stromen. Extra geulen nemen een deel van de afvoer over.

Het resultaat is geen tweede stadsgracht, maar een uiterwaardenlandschap met paden en natuur. Ruimte geven is onderhoud. Nevengeulen slibben dicht; zonder beheer verzwakt de afvoer én de ecologie. Verderop langs de IJssel liggen reserveringen voor nog meer ruimte als het klimaat hogere pieken brengt. In 2025 startte Ruimte voor de Rivier 2.0. De rivier vraagt dus niet één keer ruimte, maar blijft die innemen.
Wat jij als wandelaar ziet als plas en riet, is een tweede bedding in ruste. Bij laagwater lijkt ze overbodig. Bij hoogwater is ze de reden dat de kade in de stad niet het enige antwoord is.
Even anders kijken
Bij Deventer groef Ruimte voor de Rivier geulen in de uiterwaarden, zodat de IJssel bij hoogwater een extra pad heeft.
Loop de Worp of de Ossenwaard in en zoek de geul evenwijdig aan de hoofdstroom: dat is de ruimte die de rivier bij piekafvoer pakt.