
Waarom huisnummers verspringen: even links, oneven rechts — of andersom
Loop een Nederlandse straat in en de nummers springen: 1 tegenover 2. Dat is geen slordigheid. Het is een laatnegentiende-eeuwse manier om een huis vindbaar te maken.
Eerst telde Nederland wijken, niet straten. Steden gebruikten nummering voor hun administratie, nog voordat overal het huidige straatstelsel bestond. Vaak gebeurde dat omlopend: langs één zijde heen, langs de andere terug. Daarvóór golden wijkletters, zoals A 103. Amsterdam kende tot 1875 buurtletters met doorlopende perceelnummers; de straatnaam deed er minder toe. Franse bestuurders hadden in steden als Utrecht al eerder nummers gezet, vooral om inkwartiering te organiseren.
Eind negentiende eeuw won het Parijse model: even aan de ene kant, oneven aan de andere. Amsterdam ging in 1875 over op nummering per gracht of straat. Utrecht volgde in de buitenwijken in 1879 en in de binnenstad in 1891: oneven rechts, even links vanaf het stadhuis naar de gemeentegrens. Breda koos in 1897 hetzelfde principe, gezien vanaf de Grote Markt. Kades met één bebouwde zijde kregen doorlopende nummers. Welke kant even is, verschilt per gemeente; Zeist doet het andersom dan Utrecht.

Het verspringen heeft een praktisch doel. Sta je bij 6 en zoekt 52, dan blijf je aan dezelfde zijde lopen. Bijbouw levert 12a op, geen herschikking van de hele straat. Omlopend nummeren brak telkens als er een huis tussen kwam. Het bordje aan de gevel is dus beleid. De sprong over de rijbaan vertelt hoe de stad zichzelf vindbaar maakte.
Even anders kijken
Pleinen in Breda moesten in 1897 met de klok mee worden genummerd; kerken kregen bewust geen nummer.
Bepaal vanaf het centrum welke kant nummer 1 heeft; die keuze is lokaal vastgelegd.