
Hofjes: een gemeenschappelijke tuin achter de poort
Achter een smalle poort in Haarlem of Leiden ligt een tuin met huisjes eromheen. Die tuin is geen extraatje. Hij is het hof.
Het woord hofje komt van hof: tuin. De woonvorm groeide uit liefdadigheid. Kleine huisjes rond een binnenterrein, gesticht bij testament, vaak voor arme oudere vrouwen van een bepaald geloof. Hendrick de Keyser beschrijft de tuin als architectuur: pomp, lantaarn, zonnewijzer, bankjes. Was hoorde op een apart bleekveld, niet in de siertuin. Secreten en een turfhok zaten aan dezelfde binnenplaats. Regenten beheerden het geld. Bewoonsters deelden het groen.
Haarlem telt nog tientallen hofjes. Het Hofje van Bakenes uit 1395 geldt als het oudst bestaande van Nederland. Leiden bewaart een reeks vanaf de late middeleeuwen; het Sint Anna Aalmoeshuis hield zijn kapel. Vóór de zeventiende eeuw stonden huisjes in een rij of U; daarna werd het carré rond de tuin de norm. Ramen keken naar binnen. De straatkant bleef gesloten. Sommige hofjes werden na sloop elders opnieuw gebouwd, zoals Codde en Van Beresteyn in Haarlem: de oude huisjes bij het Stationsplein verdwenen in de jaren zestig, en in 1969 opende naast de Nieuwe Bavo een nieuw gecombineerd hofje met een gedeelde tuin.

Wat als stille oase oogt, was sociale zorg in steen. De gemeenschappelijke tuin maakte van losse kamers een huishouden. Toegang verschilt per hofje; actuele opening hoort bij de beheerder, niet bij een vast wandelrecht.
Kijk of de ramen alleen op de tuin openen: dan zit het hofje binnen een bouwblok.