Coenraed zat hoog te paard. Onder hem bevond zich de rest van de wereld.
God, geboden, andere mensen: hij had er weinig mee op. Zijn harnas paste uitstekend. Daarbinnen zat iemand die nergens voor wilde buigen.
Bij de slotbrug sprak een bedelaar hem aan. Of er misschien iets te eten was. Een korst was al goed. En een plek waar hij de nacht kon doorbrengen.
Coenraed schudde zijn hoofd. Zelfs een weigering vond hij eigenlijk te veel werk. Hij wilde doorrijden.
‘Ik ben ook een mens,’ riep de bedelaar.
Nu keek de ridder wél om. De bedelaar had zich zojuist zijn gelijke genoemd.
‘Naast míj?’ Zijn stem sloeg over. ‘Jij?’

Hij drukte zijn sporen in de flanken van zijn paard. Het dier schoot vooruit en belandde in de slotgracht.
Het water sloot zich boven Coenraed. De ridder verdronk.
Toch was men, volgens de overlevering, niet van hem af. Hij bleef bij het kasteel ronddolen, met zijn hele wapenuitrusting aan. Wie hem hoorde, hoorde geen bevel meer.
Hij riep om hulp. Van wie dan ook.
