Nederland in al zijn verhalenReizen · erfgoed · cultuur · natuur
HomeHolland Magazine
Nederlands

Volksverhalen / Gelderland

Gelderland · Duivelssage

De duivel wilde ontslag

Aan de Waal, bij Waardenburg in Gelderland in het midden van Nederland, staat een kasteel waaraan verhalen over dokter Faust zijn verbonden. Aan de overkant ligt Zaltbommel, in het verhaal kortweg Bommel. Volgens deze overlevering woonde er een geleerde die de duivel in dienst nam en zelfs die knecht tot wanhoop bracht.

Faust wijst zijn vermoeide knecht Joost bij de deur terecht.
Eigen AI-illustratie; vrije verbeelding van het verhaal.

Faust kookte, mengde en studeerde. Boven zijn vuren stonden potten vol groen, paars en blauw spul. Uit de schoorsteen kwam een lucht waarvan niemand verstandig werd. Hijzelf ook niet. Wat hij zocht, vond hij niet.

Toen verscheen de duivel.

‘U kunt ook hulp aannemen.’

Faust wilde eerst de voorwaarden horen.

Zeven jaar lang zou de duivel alles voor hem doen. Alles leveren wat hij wilde. Het leven zou één lange opeenvolging van vervulde wensen worden.

‘En daarna?’

De duivel noemde zijn gewone prijs.

‘Mijn ziel dus.’

Een klein contract lag al klaar. Faust hoefde alleen met zijn bloed te tekenen. Dat deed hij.

Voor het dagelijks gebruik noemden ze de nieuwe knecht Joost. Dat was een gewone mensennaam en tegelijk een oude benaming voor de duivel. Zo hoefde Faust niet telkens Satan door het kasteel te roepen wanneer hij iets uit de winkel wilde.

Joost werkte vlug. Voor boodschappen ging hij net zo gemakkelijk naar Amsterdam of Parijs als naar Bommel.

Op een snikhete dag verlangde Faust sneeuw en ijs. Joost ging het halen. In de winter, als de rivieren dichtlagen en de kou in iedere kier beet, wilde Faust druiven. Joost bracht druiven.

Een rijtuig met vier paarden die nooit moe werden? Joost regelde het. Faust reed naar Constantinopel, het huidige Istanbul, en weer terug. Soms ging hij alleen naar Bommel.

Dan liet hij eerst een brug over de Waal bouwen.

Zodra hij overgestoken was, floot hij zijn knecht terug.

‘Weg ermee. Straks hebben die mensen er ook nog wat aan.’

Joost brak de brug af.

Faust vond iedere dag wel iets. In een herberg bestelde hij een vat bier uit Tiel. De waard rolde het voor hem, zwetend en steunend. Faust ging erop zitten en reed op het vat naar het kasteel, alsof het een paard was.

Daar wachtte zijn knecht.

Faust liet meel kopen en in de gracht gooien.

Faust rijdt op een enorm biervat terwijl de herbergier verbaasd toekijkt.
Eigen AI-illustratie; vrije verbeelding van het verhaal.

‘Er weer uit halen,’ zei hij tegen Joost. ‘En schoon terugbrengen.’

De duivel schepte water, modder en meel op. Hij moest het ene van het andere scheiden terwijl de zure lucht boven de gracht hing. Zijn rug deed pijn. Faust had nog een idee.

Na zo'n werkdag strooide hij koren in de doornheg.

‘Morgenochtend wil ik alle korrels terug.’

Joost stak zijn handen tussen de takken. De doornen haalden zijn vingers open. Korreltje voor korreltje werkte hij zich door de nacht. Als hij klaar was, begon er weer een dag waarop Faust iets wilde.

Na vier jaar klopte de duivel aan.

Faust riep dat hij binnen kon komen, op een toon die al aannam dat het te lang duurde.

Joost bleef bij de deur staan.

‘Ik heb u vier jaar trouw gediend.’

‘En?’

‘Ik zou graag vertrekken.’

Faust keek op.

‘We hebben zeven afgesproken.’

‘U hoeft mij niet te betalen,’ zei Joost. ‘Ook niet met uw ziel. Laat mij gaan, dan zijn die vier jaar voor niets geweest.’

Faust wees hem terug naar zijn werk.

‘Jij bent moe. Ik niet.’

Joost ging weer aan het werk.

Nog drie jaar gehoorzaamde hij. Er was geen taak die hij niet uitvoerde, geen bevel dat bleef liggen. Zijn meester had eindelijk personeel waarop hij rekenen kon.

Toen waren de zeven jaar om.

Om twaalf uur 's nachts greep Joost hem bij zijn haren. Hij trok Faust door de tralies van het hoge torenvenster en nam hem mee naar de hel. Bloed spatte tegen de muur.

Het contract was uitstekend nagekomen.