De heer van Haarlem liet een boer een boete betalen omdat diens varken hem niet had gegroet.
‘Een kwestie van opvoeding,’ zei hij.
De boer betaalde. Het varken keek de andere kant op. De heer verdubbelde de boete.
Zo bestuurde hij zijn land. Hij hief tol op de brug en nog eens op de terugweg. Wie klaagde, kreeg bezoek van zijn mannen. Wie daarna nog klaagde, kreeg meer mannen.
Zijn vrouw Emma kon hem soms tot bedaren brengen. Maar een dorp kon moeilijk iedere ochtend Emma laten halen om een varken langs de weg te krijgen.
Op een dag gingen de bruggen dicht.
Ditmaal aan de buitenkant.
De heer keek door zijn schietgat. Rond zijn kasteel stonden boeren, ambachtslieden en schippers. De man van het varken stond vooraan. Hij groette niet.
‘Breng mijn paard,’ zei de heer.
Zijn knecht wees op de menigte.
‘Dan twee paarden.’
Het hielp niet. Ook zes paarden zouden hem niet langs al die mensen krijgen. Hij trok zich terug in de eetzaal en liet een feestmaal aanrichten. Een belegering op een lege maag vond hij beneden zijn stand.
Na een tijdje was het feestmaal op.
Daarna waren de gewone maaltijden op.
Ten slotte kwam de kok met een schaaltje waarop één verschrompelde ui lag. De heer vroeg om een andere. De kok draaide de ui om.
Emma keek naar de lege broodmand.
‘Ik ga met hen praten.’
‘Zeg dat ze naar huis moeten.’
‘Dat zal niet helpen.’
‘Zeg dan dat ik het beveel.’
Zij liep de zaal uit voordat hij een boete kon bedenken voor mensen die een bevel niet kwamen ophalen.
Buiten luisterden de belegeraars naar haar. Zij wilden de heer weg hebben. Emma en de vrouwen van het kasteel mochten vertrekken.
‘Met wat we kunnen dragen?’ vroeg ze.
De boer van het varken overlegde met een smid.
‘Uw kostbaarste bezit,’ zei hij. ‘Dat mag mee. Wat u zelf draagt.’
Emma liet hem de belofte herhalen. Ze vroeg ook of de anderen het ermee eens waren. De smid knikte. De schippers knikten. De belofte gold voor haar én voor wat zij meenam.
Toen keerde ze terug.
Haar man had zijn juwelen al op tafel gelegd. Hij selecteerde de grootste stenen; de kleine kon zij wellicht in haar mond bewaren.
‘Trek je harnas uit,’ zei Emma.
Hij keek op.
‘En je laarzen.’
Het duurde even voordat hij het begreep. Vervolgens wilde hij er niets van weten. Een heer liet zich niet dragen. Een heer reed, marcheerde, besteeg en betrad.
Emma pakte de ui.
‘Dan blijf je hier.’
Hij trok zijn laarzen uit.
Bij het openen van de poort verwachtte de menigte kisten. Misschien een zilveren schaal, een altaarbeeld of een zak munten.
De vrouwen van het kasteel liepen de poort uit. Achter hen verscheen Emma met haar man in haar armen.
Zijn voeten bungelden langs haar rok. Eén sok had een gat. Zijn gezicht drukte niets van zijn gebruikelijke gezag uit, maar wel een groot verlangen om ergens anders te zijn.
De smid deed een stap naar voren. Emma bleef staan.
‘U hebt het beloofd.’
Niemand ontkende dat.
De boer keek naar de man die zijn varken had beboet. Hij zag de blote teen uit de sok steken. Toen stapte hij opzij.
Langzaam droeg Emma haar last tussen de mensen door. Haar armen trilden. Halverwege wilde haar man iets zeggen, maar zij trok hem steviger tegen zich aan. Het was geen goed moment voor aanwijzingen.

Pas voorbij de laatste belegeraar zette zij hem neer.
Achter hen steeg rook uit het kasteel. De heer opende zijn mond. Hij keek naar Emma's rode armen en deed hem weer dicht.
Ze liepen weg.
Na een eind bleef hij staan. Er zat een steentje in zijn sok.
Emma liep door.
Hij haalde het er zelf uit.
