Gabriël had de huizen op grootte gesorteerd. Grote huizen onderin, kleine huizen bovenop, kerktorens met de punt naar buiten. Dat laatste was een vergissing. Hij had al tweemaal in zijn hand geprikt.
De engel moest Limburg van dorpen voorzien. De heuvels lagen er, de beekjes stroomden en de koeien wachtten nogal ongeduldig op iemand die ze zou melken. Alleen de mensen konden nergens wonen.
Gabriël vond dat een uitstekende gelegenheid om het meteen goed te doen.
Hij had een liniaal meegenomen.
In zijn zak zaten straten, gevels, tuinen en achterdeuren. Voor ieder huis had hij een plaats bedacht, voor iedere tuin een heg, en voor iedere buurman voldoende afstand tot de volgende buurman. Hij kende mensen. Dat laatste kon niet ruim genoeg zijn.
Bij zijn eerste dorp trok hij een rechte lijn in de grond. Daaraan zette hij zes huizen. Hij stapte achteruit, kneep één oog dicht en verschoof het vierde huis een vingerbreedte.
Binnen viel een bord van de schoorsteenmantel.
‘Zo,’ zei Gabriël tevreden.
De duivel zat achter een wilg te kijken. Hij had een smal gezicht, kleine hoorns en een staart die nooit stil kon blijven. Vooral wanneer iemand tevreden was, kreeg hij last van die staart.
Hij kwam tevoorschijn.
‘Mooi recht,’ zei hij.
Gabriël groette beleefd.
‘Bijzonder recht,’ zei de duivel. ‘Als daar iemand niest, kan iedereen in de straat hem zien.’
‘Daar hebben we gordijnen voor.’
Gabriël pakte de zak op en vloog verder. De duivel vloog achter hem aan. Hij had eerst gedacht aan een kleine overlast: alle voordeuren achterstevoren, bijvoorbeeld. Of schoorstenen die naar beneden rookten. Maar de engel mat onderweg zelfs de afstand tussen twee wolken na. Toen besloot de duivel dat een grotere ingreep gepast was.
Hij trok zijn zwaard.
Gabriël hoorde het metaal en draaide zich om. Te laat. Er klonk een lange, droge scheur, en onder uit de zak viel een huis.
Toen nog een.
Daarna kwam er zo veel tegelijk dat tellen geen zin meer had.
Een boerderij tuimelde over een bakkerij. Twee achtertuinen kwamen met de verkeerde kant tegen elkaar. Een steeg landde schuin tussen een schuur en een gevel, waar hij eigenlijk niet paste maar toch bleef liggen.
Het was een geweldig gerommel. Uit een van de huizen kwam een vrouw naar buiten met het oor van een theekopje in haar hand.
‘Wie is hier verantwoordelijk?’ riep ze.
De duivel wees naar Gabriël.
Dat deed hij graag. Het was bijna zijn beroep.
Gabriël drukte zijn hand onder het gat. Een laatste kippenhok bleef tussen zijn vingers hangen. Beneden keek hij naar het dorp dat daar ineens lag. Hij keek naar zijn liniaal.
‘Dat wordt opnieuw beginnen.’
Hij bukte zich naar een huisje dat dwars op de straat stond. Maar de bewoner was al op zijn drempel gaan zitten.
‘Waar gaat u met mijn huis naartoe?’
‘Naar zijn juiste plaats.’
De man keek naar het beekje voor zijn deur. Zijn voeten bungelden net boven het water.
‘Dit is zijn juiste plaats.’
Verderop had de vrouw met het kapotte kopje ontdekt dat haar keukenraam nu naast de bakkerij zat. Ze stak haar arm naar buiten en kreeg een warm brood aangereikt. Ook zij wenste nergens naartoe.
Gabriël probeerde het nog bij drie andere huizen. Niemand werkte mee.

Zo bleef Montfort liggen zoals het gevallen was.
De duivel kwam terug om van zijn werk te genieten. Hij wilde midden door het dorp lopen, zodat iedereen goed kon zien wie dit had aangericht. Maar de straat boog af. De volgende ook. Na de derde bocht kwam hij bij hetzelfde kippenhok uit.
Hij nam een andere weg.
Het kippenhok.
Op de drempel zat nu Gabriël. Hij at een boterham en zei niets.
Pas toen de duivel voor de vierde keer verscheen, hield hij zijn liniaal omhoog.
‘Misschien hebt u hier iets aan.’
