HOLLANDMagazine
Nederlands

Vijf mark voor een gerust geweten

Bij Maastricht, aan de Maas in Limburg in het zuidoosten van Nederland, kende men een oud verhaal over de eigenaar van de Zwarte Molen. Het speelt in de tijd van de kruistochten, toen predikers mannen opriepen om voor hun geloof naar het Heilige Land te trekken. De molenaar Godeslas hoorde zo’n preek aan en rekende uit wat die hem zou kosten.

Vijf mark voor een gerust geweten — kleurillustratie
Vijf mark voor een gerust geweten — kleurillustratie Illustratie: Holland Magazine · Beeldcredits

Oliverus heette de prediker. Hij sprak over Christus, over diens lijden en over het land rond zijn graf, dat volgens hem weer onder christelijk gezag moest komen. Zijn stem werd zacht en verdrietig, daarna woedend, dan weer zacht. Vrouwen huilden. Mannen grepen naar hun wapens.

Godeslas greep naar zijn beurs.

Niet om hem open te maken. Om te voelen of hij er nog zat.

Op zijn buis, zijn bovenkleed, stond een kruis getekend.

Hij was oud. Niemand zou verlangen dat hij zelf vertrok. Maar er zou geld gevraagd worden, en iedereen dacht dat hij rijk was. Honderd mark zilver zouden ze willen. Hij wist het nu al.

Vijf, besloot hij. Geen korrel meer.

Anderen gaven wat ze missen konden, sommigen zelfs hun laatste munt. Mannen maakten zich gereed om te vertrekken. Toen kwamen de inzamelaars bij de molen.

‘Geef ruimhartig, Godeslas. Het gaat om uw ziel.’

‘Mijn ziel?’ Hij legde zijn hand op zijn buik, ongeveer op de plaats waar hij zijn geld bewaarde. ‘Iedereen vraagt maar. Het begint zodra een mens geboren wordt en het houdt pas op als je de mond vol aarde hebt. Ik heb eens een boom gezien die helemaal kaalgevreten was door rupsen. Die kwamen ook allemaal maar om een hapje.’ Hij hield zijn beurs met twee handen vast.

‘Ga bij mijn buurman langs. Die heeft geld.’

‘En u niet?’

‘Weet u wat ik bezit? Hebt u het gewogen? U kunt in een put kijken om te zien hoe diep het water staat. Maar in mijn beurs hebt u niets te zoeken.’

Toch zou hij iets geven. Hij wilde tenslotte niet dat men hem gierig noemde. Hij wierp vijf mark zilver op tafel.

De inzamelaars keken naar het geld.

‘Honderd zou u niet deren.’

‘Daar is het al!’ Godeslas wees naar hen alsof hij zojuist een muis in zijn meel had betrapt. ‘Honderd! Ik geef van mijn armoede en u begint over honderd!’

Ze namen de vijf mark mee. Bedanken deden ze niet.

Toen ze weg waren, lachte hij. Hij had zijn deel gedaan en bleef zelf veilig thuis.

Later kwamen kruisvaarders langs de molen. Godeslas riep hun na hoeveel er wel zouden terugkomen. Ze liepen door.

‘Vijf mark!’ schreeuwde hij. ‘Meer heeft het mij niet gekost! Daarvoor blijf ik in mijn eigen bed!’

Hij moest er ‘s avonds nog om grinniken.

De zomer kwam. De beek stond zo laag dat het water de molen niet meer aandreef. De raderen zwegen.

Vijf mark voor een gerust geweten — schetsillustratie
Vijf mark voor een gerust geweten — schetsillustratie Illustratie: Holland Magazine · Beeldcredits

Tot Godeslas op een nacht wakker werd van het malen.

Hij luisterde. Een droom, dacht hij. Of de wind.

Toen dreunde zijn bed mee.

Er werd werkelijk gemalen. In zíjn molen. Midden in de nacht, zonder zijn toestemming.

Hij brulde om zijn knecht en stuurde hem kijken.

Nu hoorde hij ook water bruisen. De droge beek klonk alsof er een hele berg sneeuw tegelijk in gesmolten was. Godeslas zat rechtop, met zijn handen tegen zijn hoofd. Hij wachtte tot de knecht terugkwam.

De voetstappen naderden langzaam.

‘Wat is daar aan de hand?’

De knecht strekte zijn armen uit. Er kwam geen woord.

Godeslas vroeg het nog eens. De man bleef zwijgen. Achter hem ratelde de molen door.

De molenaar trok zijn kleren aan en ging zelf. Binnen wachtte een donkere gestalte. Die wenkte hem dichterbij, naar de zware maalstenen.

Tussen de stenen werd zilver vermalen. Akelig volk duwde het eronder. Vijf mark. Zijn vijf mark, waarmee hij zo goedkoop van alles af dacht te zijn.

De donkere man had twee paarden meegebracht.

‘We gaan rijden.’

Godeslas keek naar de stenen. Het zilver verdween ertussen.

‘Eerst je buis uit.’

Het kruis op zijn buis hield de duivel op afstand. Godeslas had het kunnen aanhouden. Maar de man die over iedere munt onderhandelde, trok nu zonder een woord zijn buis uit.

Zodra het kledingstuk uit was, pakte de donkere man hem beet. Hij tilde hem op alsof hij niets woog en smeet hem op een paard. Ze reden de nacht in, steeds verder van de molen.

Het malen hield op.

In de beek klonk alleen nog zacht water.

Rubrieken

HomeStad & streekNatuurErfgoedReceptenAlle verhalen