HOLLANDMagazine
Nederlands

Een schoonzoon van zuiver goud

Bij Lochem en Barchem, in de Gelderse Achterhoek in het oosten van Nederland, vertelde men over witte wieven. Dat waren geheimzinnige vrouwen die als nevel boven het land verschenen. In een kuil bij de Koerbelt woonden er volgens dit oude verhaal drie. De oudste had nagels waarmee je een aardappel kon schillen zonder een mes te pakken. Zij was de baas van de witte wieven tot op de Veluwe.

Een schoonzoon van zuiver goud — kleurillustratie
Een schoonzoon van zuiver goud — kleurillustratie Illustratie: Holland Magazine · Beeldcredits

Herbert en zijn zus Aleid hadden als kinderen bloemen in die kuil geplukt. Soms gleed de oudste langs hen heen, met uitgestrekte klauwen. De kinderen en de wieve lachten elkaar toe. Dan verdween ze weer. Hoe gevaarlijk de wieven voor anderen ook konden zijn, deze twee liet ze met rust.

Hun buurmeisje Johanna vond dat geen reden om er te blijven rondlopen.

‘Straks neemt ze je mee.’

‘Misschien geeft ze me wel goud,’ zei Herbert.

‘Blijf er nou weg.’

En omdat Johanna het vroeg, bleef hij weg.

Toen ze ouder werden, zagen hun ouders het wel zitten, die twee. Vooral Johanna’s vader, Scholte Lodink, een rijke boer en oud soldaat. Hij verkondigde met zijn vuist op tafel dat liefde boven geld ging. Zijn vrouw Christine knikte. Herberts ouders hadden geld genoeg.

Toen wonnen Herberts ouders een rechtszaak. De kosten slokten hun spaargeld op. Ze hadden gelijk gekregen en konden het zich niet meer veroorloven.

Christine ging voor het vuur zitten nadenken. Er moest een andere schoonzoon komen.

Albrecht bijvoorbeeld. Die had land en geld, en zou later nog meer krijgen. Christine telde zijn voordelen op zonder aan zijn gezicht toe te komen.

Ze nodigde hem uit om met haar man over politiek te praten. Haar dochter zou toevallig thuis zijn.

Johanna straalde toen hij kwam. Christine zag het tevreden aan. Wat zij niet wist: Johanna had zojuist Herbert voorbij zien lopen.

Albrecht ging zitten. Hij wilde graag bekeken worden, liefst van de kant waar zijn beste kleren het mooist vielen. Maar Scholte Lodink begon over Herbert.

Die was enkele maanden eerder op zijn paard bij de hoefsmid vandaan gekomen. Bij een waterkolk vloog schreeuwend een vogel op. Het paard schrok, sloeg op hol en stoof recht op de kuil af.

Vlak voor het dier de diepte in stortte, kwam de oudste wieve omhoog. Ze greep de manen en klemde haar knieën tegen zijn zij. Het paard stond stil, trillend onder haar handen. Herbert kon het kalmeren en omkeren.

Hij had beneden iets gezien: de drie wieven roosterden een geplukte vogel boven een vuur.

‘Ik wil ze bedanken,’ had hij thuis tegen Aleid gezegd. ‘Zou jij zo’n zoete koek willen bakken als met het Driekoningenfeest?’

‘Als ik mee mag.’

Dat had hij liever niet. Aleid liet hem dagenlang merken dat er zonder zus ook geen koek kwam. Uiteindelijk bakte ze hem, legde hem op een aarden schotel en schikte er klimop omheen.

Ze droeg het geschenk tot aan de kuil. Herbert bracht het naar beneden. Onder een struik verscheen een groot hoofd. Een groen oog keek Aleid aan. Ze bleef staan tot haar broer terugkwam; samen liepen ze rustig naar huis.

De volgende dag lag de lege schotel beneden. De klimop lag ernaast.

Scholte Lodink beëindigde zijn verhaal en keek naar Albrecht. Dat was zijn bijdrage aan de politiek.

Albrecht zat met zijn kaken op elkaar. Herbert was arm. Hij kon Herbert inhuren en laten zwoegen. Zelfs als Johanna met die jongen trouwde, zou hij hem nog als dagloner het leven zuur kunnen maken. Die gedachte hielp. Hij nam beleefd afscheid.

Zodra de deur dicht was, begon Christine.

Of haar man wist wat Albrecht bezat. Of hij wist wat Albrecht zou erven. Of een bezoek aan een kuil soms een huishouden betaalde. Albrecht durfde best wat Herbert durfde.

De oude soldaat kwam er bijna twee uur niet tussen.

‘Dan moet hij dat bewijzen,’ zei hij eindelijk.

De volgende dag vroeg hij Johanna buiten welke jongen ze wilde. Ze pakte alvast een punt van haar schort om haar tranen in op te vangen.

Een schoonzoon van zuiver goud — schetsillustratie
Een schoonzoon van zuiver goud — schetsillustratie Illustratie: Holland Magazine · Beeldcredits

‘Herbert.’

‘Dacht ik al.’

Ze drukte haar natte wang tegen zijn ruwe gezicht. Of hij haar helpen wilde.

Dat wilde hij. Alleen deed hij het op de manier van een oud soldaat.

Beide mannen moesten om middernacht naar de kuil rijden: Herbert vanuit het westen, Albrecht vanuit het zuiden. Ieder moest er een haarspit in werpen, een ijzeren boerenwerktuig waarop je de snede van een zeis kon uitkloppen. Wie daarna als eerste bij de boerderij terugkwam, mocht met Johanna trouwen.

Daarmee zouden ze de wieven uit hun kuil lokken. De terugweg zou een wedren worden met iets dat sneller was dan een paard.

Beide vrijers stemden toe. Albrecht kocht het beste paard dat hij vinden kon. Hij zou op afstand gooien en onmiddellijk omkeren. Het was prettig als je moed gedeeltelijk bij een paardenhandelaar kon aanschaffen.

Herbert had alleen zijn oude Bles.

Die nacht hoorde hij, toen hij de kuil naderde, in de verte de hoeven van het andere paard. Albrecht was onderweg. Herbert reed tot aan de rand, wierp zijn haarspit en riep de wieven toe dat er ijzer voor hen aankwam.

Uit de kuil schoot een witte gestalte omhoog.

Bles ging ervandoor.

De wind sloeg het graan plat. Herbert boog zich over de paardennek. Achter hem klonk een lach, veel te dichtbij. De wieve had geen hoeven nodig om hem bij te houden.

‘Je haalt het niet, Herbert. Met dat oude paard!’

Hij voelde haar adem langs zijn oor.

‘Albrecht had een beter paard. Die is halverwege al omgekeerd.’

Herbert drukte zijn benen tegen Bles. Als Albrecht weg was, hoefde hij alleen nog levend thuis te komen.

Op het erf schampten nagels zijn nek. Iets hards suisde achter hem aan. Toen trok de wieve zich terug, de nacht in.

Scholte Lodink brulde dat er over een paar dagen een bruiloft kwam en dat hij zelf zou dansen. Christine hield haar mond. Johanna sloeg haar armen om Herbert heen en zag het bloed aan zijn hals.

‘Een schram,’ zei hij. ‘Ze heeft ook nog iets gegooid.’

Ze gingen buiten kijken. Daar lag een stuk van de schotel die hij met Aleid gebracht had. Lodink raapte het op. Het was merkwaardig zwaar.

Johanna wilde naar binnen. Ze had het koud en Herbert stond naast haar; er waren belangrijker dingen dan serviesgoed.

Onder de lamp draaide haar vader het stuk om.

Goud.

‘Een huwelijksgeschenk!’ Hij hield het omhoog. ‘Daarom heeft ze het je nagegooid! Jongen, je bent rijker dan Albrecht. Rijker dan ik!’

Hij keek zijn vrouw aan.

Christines blik ging van het goud naar Herbert. Ze glimlachte en opende haar armen voor haar dochter.

Maar Johanna stond al tegen Herbert aan.

Rubrieken

HomeStad & streekNatuurErfgoedReceptenAlle verhalen