HOLLANDMagazine
Nederlands

De zuster die bleef wachten

In Deventer, aan de IJssel in Overijssel in het oosten van Nederland, heeft de Bergkerk twee torens. Volgens een oud verhaal zijn ze verbonden met twee zusters: Martha en Beatrix. Martha was iets langer, en zo vertelde men ook over die torens: twee naast elkaar, de een net wat hoger dan de ander.

De zuster die bleef wachten — kleurillustratie
De zuster die bleef wachten — kleurillustratie Illustratie: Holland Magazine · Beeldcredits

Als kinderen deden ze alles samen. Ze plukten madeliefjes en boterbloemen langs de rivier. Met Palmpasen droegen ze een vogel van brood op een stok, zoals kinderen dat bij het feest deden. Met Pasen stonden ze bij de vuren en met Pinksteren dansten ze hand in hand onder de feestkroon.

Ze hadden evenveel geld, dezelfde herinneringen en nauwelijks woorden nodig om elkaar te begrijpen.

Toen kwam er een ridder naar Deventer.

Hij had een lach die een kamer binnenkwam voordat hij zelf over de drempel was. Hij zong. Hij maakte grappen. Hij had al veel liefdes gekend en droeg dat verleden met het gemak van iemand die zijn bagage altijd door een ander liet vasthouden.

De zusters zochten zijn gezelschap. ‘s Avonds bespraken ze wat hij gezegd had, hoe hij gekeken had en of hij nog lang zou blijven.

Tot Martha niet meer over hem praatte.

Beatrix praatte door.

‘Zou hij weggaan? Hier is niemand zoals hij. Soms wou ik dat hij nooit gekomen was.’

Op een nacht hoorde ze Martha huilen. Ze vroeg wat er was. Martha gaf geen antwoord. De volgende ochtend glimlachte ze.

‘Gehuild? Ik heb gewoon geslapen.’

Beatrix geloofde haar. Maar maanden later hoorde ze het opnieuw. Weer zei Martha dat er niets was. Ze had alleen even wakker gelegen.

Daarna vertelde de ridder aan Beatrix dat hij Deventer ging verlaten.

Nu was zij het die ‘s nachts huilde.

Martha nam haar hand. Ze moest hem niet volgen, zei ze. Ze moest bij haar zuster blijven, die haar liefhad en bij wie ze veilig was.

Beatrix beloofde het.

De volgende dag zag ze hem niet. Een dag later zocht ze hem toch op, bij de Koerhuisbeek, waar het water de IJssel in liep.

‘Ga weg,’ zei ze. ‘Ga alsjeblieft gauw weg.’

Hij glimlachte en vroeg of ze bang voor hem was.

‘Ik weet het niet. Ga weg. Blijf. Nee, ga.’

Hij keek haar aan en nam haar handen vast.

‘Ik heb je lief. Ik kan niet zonder je vertrekken. Waar ik ook ben, ik zal aan je denken. Als ik gewond raak, zal ik naar jouw handen verlangen.’

‘Hou van Martha,’ zei Beatrix.

De ridder schudde zijn hoofd. Hij kon niet aan Martha denken zonder Beatrix te zien.

Dan moesten ze afscheid nemen, zei hij. Dan moest ze hem vergeten.

Ze vluchtte naar huis en vertelde haar zuster alles. Ook dat ze hem gevraagd had van Martha te houden.

Martha vroeg niet wat hij daarop gezegd had. Ze sloeg haar armen om Beatrix heen.

De zuster die bleef wachten — schetsillustratie
De zuster die bleef wachten — schetsillustratie Illustratie: Holland Magazine · Beeldcredits

‘Vergeet hem.’

Beatrix beloofde dat ook.

Toen hij zingend langs het huis reed, bleef ze binnen. Hij zong over twee geliefden die elkaar niet konden bereiken omdat er te veel water tussen hen lag.

De nachten werden lang. Zodra Beatrix haar ogen dichtdeed, zag ze hem. Ze hoorde opnieuw wat hij gezegd had. Als hij gewond raakte. Als hij haar nodig had. Ze draaide zich om en dacht aan Martha, die in dezelfde kamer lag.

Op een dag klopte er een visser aan.

Hij hield een vis omhoog en vroeg of zij die voor het avondeten wilde kopen. Beatrix vroeg de prijs.

De man lachte.

Beatrix vroeg nog eens: ‘Wat kost hij?’

Weer die lach. Zij begon de deur al dicht te doen. Toen vertelde hij dat hij in dienst van een rijke heer kwam. De ridder zou haar de volgende dag vóór de avond bij de beek opwachten.

‘Zeg dat ik niet kom.’

De visser schudde zijn hoofd. Zijn heer wist zeker dat ze zou komen. Hij ging immers weg uit Deventer. En ze moest er niet met haar zuster over praten.

‘Dan gaat hij alleen.’

De man legde een smaragd in haar hand, een kostbare groene steen. Die mocht ze houden, ook als ze niet kwam. Maar zijn heer zou het geschenk als een belofte opvatten: ze zou hem niet laten wachten.

Beatrix keek naar het groen in haar hand. Ze wilde de steen teruggeven.

‘Neem hem mee. Dan weet hij dat ik wegblijf.’

De visser hield zijn handen op zijn rug. Daar had hij geen opdracht voor gekregen. De steen was van haar. Zijn heer verwachtte haar.

Toen vertrok hij. De vis nam hij wel mee.

Beatrix vond geen rust meer. Overdag bleef ze dicht bij Martha, maar ook naast haar zuster bleef ze aan de ontmoeting denken. ‘s Nachts lag ze wakker. Ze had Martha beloofd hem te vergeten. Nu zou hij werkelijk weggaan, en zij wist waar hij op haar wachtte.

Ze nam de smaragd mee en verliet het huis zonder afscheid.

Bij de Koerhuisbeek stond de ridder te wachten. De smaragd hield ze nog in haar vingers. Hij tilde haar op zijn paard en samen reden ze weg.

In Deventer zag niemand hen terug.

Martha bleef wachten. Eerst als jonge vrouw, later als een oudere. Misschien zou Beatrix terugkomen om uit te rusten. Misschien zou ze op een dag weer naast haar zitten en zouden er weinig woorden nodig zijn.

Er kwam geen bericht.

Toen Martha haar einde voelde naderen, liet ze de priester komen. Van haar geld moest een kerk op de berg worden gebouwd. Ze wilde twee torens. De ene iets hoger dan de andere.

‘Zoals wij,’ zei ze. ‘Maar die zullen elkaar niet verlaten.’

Rubrieken

HomeStad & streekNatuurErfgoedReceptenAlle verhalen