De dood paste door een gaatje
In Twente, in de provincie Overijssel in het oosten van Nederland, vertelde men dat de pest als een klein wolkje langs de boerderijen bij Enschede trok. De mensen noemden die gevreesde ziekte de Zwarte Dood. In deze overlevering kon een hele hoeve eraan ten onder gaan, terwijl er van buiten nauwelijks iets te zien was.

Een sliertje damp. Meer niet.
Het gleed naar binnen en bleef tot iedereen gestorven was.
Het koren stond rijp op de akkers. Niemand maaide het. In de weiden wachtten de koeien op de meiden die hen kwamen melken. Ze liepen naar de plek waar die altijd verschenen, snoven, loeiden en wachtten nog wat langer.
Er kwam niemand.
Bij het Aamsveen verschenen wolven. Aanvankelijk bleven ze uit de buurt van de boerderijen. Mensen konden immers terugvechten. Maar elke dag werd er minder gevochten. De wolven kwamen dichterbij.
Toen de winter inviel, brandde er volgens het verhaal nog maar op drie hoeven een vuur.
De overlevenden hielden hun deuren dicht. Buiten huilden de wolven. Binnen luisterden de mensen naar elk geluid bij de deur. Een wolf kon je tenminste horen aankomen.
Op de verlaten Hölterhof ging iemand kijken of er nog leven was. In de bedstede bewoog iets. Een wolvin sprong eruit en stoof naar de deel, de werkruimte van de boerderij. Haar jongen lagen in het bed van de mensen.
Ook in de andere hoeven trokken de dieren naar binnen. Het gras groeide over de erven, het mos over de daken. De bewoners waren dood of vertrokken.
Eén boer bleef buiten rondlopen. Hij woonde op de Lappe, en zo noemden ze hem ook.
De Lappe zocht het wolkje.
Hij had besloten het te vangen. Hoe je een wolk vastpakte, had hij nog niet uitgemaakt. Eerst moest hij weten waar het bleef.
Hij hield de wegen en de greppels in de gaten. Het wolkje ontweek hem. Het gleed weg zodra hij dichtbij kwam. De Lappe wachtte. Het wolkje wachtte ook. Het wilde namelijk best naar de Lappe toe, maar liever wanneer de Lappe het niet zag.
Op een nacht hing er mist boven het veld. De dood verliet zijn schuilplaats en schoof tussen de nevels door. Een stukje laag langs de grond. Een stukje hoger. Dan weer stil.

Een boerderij. Een deur. Mensen daarachter.
Tegen de ochtend lag het wolkje in een greppel bij de Lappe. Het werd langzaam licht. Nu moest het gebeuren.
De boer stond buiten en bewoog niet. Het wolkje bleef even hangen. Misschien had hij niets gezien. Misschien keek hij alleen naar het weer, zoals boeren deden. Het kwam omhoog.
De koeien begonnen te loeien. Een schaap blaatte, een varken knorde. De Lappe bleef staan. Hij volgde de damp al sinds middernacht en had geen zin om hem vlak voor de deur alsnog te laten ontsnappen.
In de deuropening van de boerderij stond een houten paal, een stipel. In die paal zat een gat.
Het wolkje kroop erin. Even uit het zicht. Even veilig.
De Lappe sprong naar voren. Hij greep een houten pin en sloeg die in het gat.
Vast. Het wolkje zat in de paal en kon er niet meer uit.
De wolven weken uit de hoeven. Uit Schouwink, Groot Huntveld, het Lutje Holzik en de Hölterhof trokken ze weer naar het vrije veld. De mensen keerden terug en schudden de Lappe de hand, de een na de ander.
Later wees men in het Aamsveen nog de plek van de Hölterhof aan, en de wolfkuil die aan die verlaten jaren herinnerde.
En het wolkje?
Wie zal het zeggen. De Lappe kon behoorlijk timmeren.