De dag die ieder jaar terugkwam
Ridder Allaert liet de kluizenaar verdrinken omdat die hem iets had gezegd wat hij niet wilde horen. De man had hem zijn zondige leven verweten. Allaert kon een vermaning beantwoorden met een bevel; hij verwachtte dat het water daarna de rest zou doen.

Bij de middeleeuwse voorganger van Kasteel de Haar, bij Haarzuilens in de provincie Utrecht in het midden van Nederland, plaatste men dit oude verhaal over een jaarlijkse sterfdag. Het is een overlevering, geen familiegeschiedenis die met archiefstukken is bewezen.
De kluizenaar leefde sober en bad. Allaert leefde niet sober. Hij had kunnen weglopen toen de man begon te spreken. Hij koos ervoor hem in het water te laten werpen.
Vlak voordat hij verdronk, sprak de kluizenaar een vloek uit: ieder jaar op deze dag zou in Allaerts huis iemand sterven.
Daarna was het stil. Allaert had zijn zin.
De volgende novemberdag kwam zijn oudste zoon om toen hij met zijn paard verongelukte. Allaert sprak over pech. Paarden konden vallen, ook zonder hulp van een dode kluizenaar.
Het jaar daarop stierf zijn tweede zoon, op dezelfde dag. Allaert liet de datum niet hardop noemen. Wie het toch deed, kreeg de blik die men kende van de dag waarop de kluizenaar hem had aangesproken.
In het derde jaar stierf zijn vrouw van verdriet om haar kinderen. Het was weer die novemberdag. Aan tafel bleef nu plaats over voor drie mensen die er niet meer zaten. Allaert had nog één zoon, een jongen van zeven.
Hij zei dat hij niet in de vloek geloofde. Toen de volgende november naderde, kwam hij minder vaak in de buurt van de gracht.

Op de noodlottige dag keerde hij tijdens onweer van een tocht terug. Bliksem liet de toren heel even zien. Op de bovenste omloop stond een knecht met het kind in zijn armen. De man was buiten zichzelf. Onder hem lag de gracht.
Allaert riep. Hij had mensen zijn leven lang laten gehoorzamen; nu bleef zijn stem steken onder de toren. De knecht wierp de jongen in het water.
De ridder zag hem vallen. Hij kon zijn zoon niet terugbevelen. Voor het eerst sprak hij niet tegen een ander, maar tegen God. Hij bekende wat hij de kluizenaar had aangedaan en smeekte om vergeving.
Een jachthond sprong in de gracht. Allaert zag de kop van het dier weer bovenkomen, met zijn zoon vast. De hond zwom naar de kant.
De jongen leefde.
Over de knecht vertelt dit verhaal verder niets. Allaert had nog één kind. Dat had hij niet zelf gered.